365
zwaar geruisch haar ooren instroomen en toen met een schok, niets meer. Zij dacht eerst dat zij verstijfd, verlamd neerzat. Toen direct sloeg een wilde vlam van brandend verzet in haar óp. Zij wou krijten, gillen, slaan, de zeur-gramophoon om-smakken en het raam uitspringen, naar Karei toe en naar Heintje toe. Zij wou haar bleeke, schijnheilige, mooie toetje schenden en hem neerbeuken en verachtelijk wegtrappen. Het was maar een moment van ijzige, duizelende, krankzinnige en onheilspellende drift. En toen bevroor al haar woede. In haar aderen werd het zoo koud, zoo kil, dat zij beefde en sidderde.
Karei met slanke Heintje, het bleek-guitige gezichtje verliefd naar hem toegekeerd, zag zij al dichter en dichter naderen, alsof zij perdoes op haar afkwamen vóór het raam. Even, in schrik en angst, was Corry achteruit gedeinsd, maar zij wou zien hoé vurig-verliefd hij haar vast had om haar taille en hoe zwie-rig-licht zij meestapte op de maat van zijn ingehouden pas. Weer was zij zachtjes uit haar hoekje naar voren gedoken. En vreemd, het oogenblik waarop hij rakelings langs haar schoof, lachend met snaaksche Heintje, en zij zijn lieve lokstem hoorde, op dat oogenblik voelde zij geen wrok en geen haat meer; zonk zij weg in een zoo eindelooze verlatenheid, levensvereenzaming en melancholie, dat zij wel had willen sterven, al-kijkende naar Karel's weggaande lichaam in het donkerende groen van de grachtboomen. Want zij had hem zoo lief, zoo lief... als zij dacht hem nog nooit gehad te hebben. Er was een hevige stroom tusschen hen door gegolfd. Zij had hem zacht kunnen tegenhouden en zeggen:
— Karei, Karei.. . hier zit ik. Dat weet je niet, natuurlijk niet. Hier zit ik ... en ik verlang zoo ... kom bij me ... Kom en neem me mee. Doe geen kruis of munt om mij of Heintje ... Maar zij bleef zitten, bewegingloos en in een huiverenden angst, met een zoo smartelijke beklemming, dat zij weer een sterfgevoel kreeg.
Corry scheen al de ellende van dien zoelen lente-avond