355
buitengewone, de plotselinge overrompeling van vreemde en bedwelmende dingen, op zwerftochten door de geheimzinnige nachtstad te ondervinden. Om die phantastische avonturen gaf zij de laatste jaren niets meer. Mooie Karei, Mooie Karei, kermde en riep het in haar! Maar die kerel, die ruw-trotsche kwast, liep haar nu al vijf jaar hondsch-strak voorbij. Eigenlijk leefde Corry voor niets en voor niemand meer, brandend verloren in de gedachte aan hem. Terwijl zij zelfs nu sprak met den Bochel en in een soort van rilling en weerzin zag, met welk een verliefde verrukking hij haar aanstaarde, dacht zij toch alleen aan Karei, Karei.
De regen gutste met zwiepend gekletter op de ruitjes en het bulderde op het Jaagpad. Corry voelde in deze stilte haar harden trots nu tegenover Burk kwijnen, verleppen»
God, god, hoe begeerde zij hem te zien, zijn mond, zijn oogen, zijn gezicht! Bij wie zou zij zich nu kunnen uitspreken?
Toen, plotseling, in een soort van zelfonthulling, besefte zij de beteekenis van den onderbewusten drang, die haar vanavond naar Manus had toegedreven. Buiten Karei had zij nooit iemand anders gehad dan Manus, om heel vertrouwelijk mee te praten. Hoe vaak had hij haar niet uit Joden Jet's broei-sche listen gered. Hoe had hij haar-dochter-doodvloekende moeder Nel niet weer veel zachter over de meid laten oordeelen, na de misdadige Zeedijkschennis? Een lief glimlachje was Peet's belooning, meer niet; of eenluidruchtigvrijmoedigheidje over zijn heimelijk vrijgezellen-leventje. En al bracht hij haar dikwijls in verlegenheid door zijn spottoon, zijn uitvorschen van verborgen gedachten en de stille dreiging die achter zijn ééne gesloten oog lag, zij vond het toch heerlijk om uren lang met Manus te poekelen en hem om raad te vragen. Zij, die een wild verlangen in de mannen bracht, zonder een woord te zeggen, alleen door de wazige bezwijmeling van haar zondigen blik, ook zij had begrepen dat Peet ״niet voor noppes" om haar heen drentelde.
Het heimwee naar Karei brandde haar weer de ziel af. Zij