353
of dood. Zij speelde met die kneedbare, snel-bezwijkende dassen- en hooge-boorden-mannekes, met die roezige modegekjes, als met étalage-poppen. Al die schijn-gezagshoudinkjes van hooghartige bevelers lapte zij aan haar laars. Inwendig bleef Corry het eigenzinnige, weerstrevende en opstandige proletariërskind, dat zich een jeugd lang diep gekrenkt had gevoeld door den toon waarop zij door allerlei zelfvoldane larie-schepselen en slampampers uit ״beteren" stand was aangesproken en behandeld. Nu heette zij de mooie meid, de allermooiste, die al die klam-verliefde branies deed gnuiven en duizelen, popelen en hijgen van hartstocht. Door niet één liet zij zich meesleepen of vertroetelen in een wispelturig minnespel. Zij verafschuwde hun gedempte passiestemmen waarmee zij dreigend of smeekelijk iets bij haar wilden verkrijgen. In kervende minachting gaf zij ze lik op stuk, en minstens eens in de week leefde zij een soort van heiligen smaad-wrok uit tegenover al die zwoele, onbeteugelde ploerten, gluiperige patsers die niets dan haar lichaam, haar streelingen en haar zinnedrift begeerden. Zij walgde van de verwrongen groeven in hun gezicht, wanneer de kerels sensueel-beverig voor haar stonden, lieftallig deden, vleiden of zich behaagziek voor haar oppoetsten achter een ruiker bloemen. Zij vond al die mannen oer- en oer-stom. Bemerkten die besmeurde kerels dan niet, hoe beleedigend dat leuterige hunkerspelletje voor een vrouw was? Die vadsige viezerikken met hun gepom-madeerde, verhitte koppen en geitig-malle sprongen, waren geen haar fijner dan de ruwe grijpgasten van Zeedijk en Jor-daan. Zij vond ze zóó potsierlijk in hun|eerzuchtige airtjes, met smakkend-zinnelijke en teedere woordjes, en zóó aarts-belachelijk wanneer de protserige heertjes, zoodra zij hen van zich had afgeworpen, hun „fatsoen" nog poogden te redden, — dat.Corry soms plotseling haar eigen schimp schaterend onderbrak.
Manus bekeek Corry onder het vertellen. Hij vond haar, Manui Peet. 33