348
Het was om te gieren! Een God-zoeker voor de vervuilde poort van het tuchthuis. Een oude zwerver, die naar de verdwaalde maagd zocht. Want met of zonder God, Manus zocht Corry, altijd Corry. Dat was zijn waanzin, zijn ziekte en zijn vernietiging.
II
Liefdes-tragedie.
Op een stik-donkeren Februari-avond gebeurde er plots een wonder voor Manus; iets dat hem uit zijn rust opschrikte en half verpletterde. Er loeide een hevige wind uit de donkere diepte van het Jaagpad. Over de duistere landouwen zwiepte en gierde de storm. Zware regenvlagen woeien kletterend tegen de rammelende vlieringruitjes. Toch was het heele-maal niet koud, al stoofde en pufte het kacheltje in Manus' kluisje als een walmend wafelen-fornuisje.
Juist toen Peet van den schaduw-doezeligen muur een stoel had aangeschoven, vlak bij het avondlampje op het tafeltje, en hij naar een boek wou grijpen, ging het zolderdeurtje zoo maar open en stond Corry Scheendert rank en hoog vóór hem. Manus voelde een rillende kou, een versteening over zijn heele wezen heenhuiveren. Zijn groet stierf stamelend op zijn lippen weg en hij beefde.
— Dag Manus,... klonk het zacht.
Door haar stem trilde een zoele klank en Corry strekte haar hand naar hem uit. Manus, nog geheel verbouwereerd, kon slechts iets stompzinnigs-ontstelds terugstotteren. Doch Corry, kiesch, deed alsof zij niets merkte van zijn ontzetting en bewogenheid. Doodkalm trok zij haar regenmantel uit en lei die met haar druipende parapluie, bij het kacheltje op een krukje neer. Toen ging zij zitten, ook vlak bij het tafeltje, zonder een woord,