ELFDE HOOFSDTUK.
I
Een gewonde heelmeester die geneest.
In den omgang met menschen, bekeek Manus Peet zich nog steeds zelf als een egoïstischen ellendeling, een knarsend-dwars-paneel-van-een-mijmeraar, die zijn kooksel in het openbaar luid-ruchtiglijk verbrandde. En niet in ijdelheid eigen wezen verachtend, — want er walmde voor hem altijd iets voos in zelfkastijding, — doch in het zuivere besef van zijn luttel-durende, geestelijke liefde voor de dingen die het onweerstrevende Ik gehéél opeischten. Ook in anderen, in hen die zich voor de allerhoogsten hielden, de uitverkoornen, ontdekte Manus dit gebrek-aan-düür in geestelijke liefde voor dingen en schepselen. Hij zag overal nog nijpende bezitzucht en zielsbekrompen koestering van eigen bloed en vleesch er tegenin worstelen en wringen. Toch was Peet, behalve in zijn rooken, zoo sober als een monnik. Van zijn Jaagpad, iederen dag door vlijmende winterkou, door sneeuw en regen, stapte hij naar den Jordaan of naar Kattenburg, en tusschen de Jordaners en Kattenburgers bleef hij, zonder er zelf benul van te hebben, ontroerend-zachtzinnig in woord en handeling. Hij probeerde velen bij