341
met ruw-schimpende, spitsvinnige bespotters der Christelijke beginselen, tot ze in stukken knarsten. Hoe gingen zij als klassegenooten hand aan hand met de goddeloozen, die hun Christelijke idealen als benepen denk-achterlijkheidjes en verdwazende fabeltjes verfoeiden. Hoe aanminnig en vuriglijk schaarden zij zich tezaam als burgerwacht met de grootdun-kende Heidenen, in één rumoerig lokaaltje van oer-vader-landsche dapperen, waar op de Christelijke deugden met heldenmoed geklonken werd, tusschen het schermutselend gekletter van zwaarden en het felle blinken van uniformen.