340
Manus riep in zichzelf: het volk, de verdrukten, de ne-derigen, die bracht Jezus de zoetblijde boodschap des heils, die mat hij met de hoogste menschenmaat. Al wat geminacht en vertrapt en uitgeworpen lei door hoogmoedige standelingen en wrange uitbuiters, dat hief hij in het weemoedige licht van zijn heilige liefde. De rechtvaardigen liet hij bijeenkonkelen, de zondaren en armen ging hij troosten, onder smart die smoorde in de keel. De aanzienlijke trotselingen liet hij met snel vernuft struikelen over redetwistende tollenaars en boetvaardige hoeren, en vooral tusschen de rijken, de machtigen der aarde zocht Jezus de goddeloozen en booshartigen. Alleen naar hén slingerde hij zijn ontzettenden ban: eêr zal een kemel door het oog van een naald gaan, dan dat een rijke in den hemel komt. Waterverf, dun spoel-sel,... hoonde Manus. Want zij bléven Christenen en bléven rijk, al dreigde de stem van Nazareth's leeraar onheilspellend in de verte. Deze belijdende genieentelingen kochten ijlens kemel en hemel om, juist met ddt waardoor zij niet zalig kónden worden.
Hoe zag Manus hen het aardsche slijk koesteren en hoe verliefd waren zij erop en hoe zoet verdeelden zij het spat-slijk in hun enge kringetje. En hoe bemorsten allen, — een iegelijk op zijn beurt, — tien blanke vingers met die zwarte, stinkende modder. Hoe onmenschelijk heet en hebzuchtig vochten zij er om, al deze steuners van het wettelijk gezag en al deze snakkende dwepers naar het koninkrijk der hemelen. Kom, kom, meende Manus, het sprookje moest nu maar verdampen. Al zulke vrome regeerders van de landen, hoe waakten zij ervoor dat het verderfelijke goed, het geld, het bezit, het besmettende en onrein-maken-de, blééf in de kringen waar het eenmaal was opgehoopt, hoog boven Messiaansche texten en Evangeliën uit. En hoe gul en gretig verbroederden zij zich, ter verdediging van dat slijkerige bezit, met liberale en radikale godlasteraars,