339
genot en toch stil naast God tronen... hoe voos en erbarmelijk! Doch waarom, vroeg Manus zich weer af, laten de rijken de heele wereld liever de lucht invliegen of de aarde met bloed besproeien, dan het allergrootste deel der menschheid, de arbeiders, de zwoegers, in hun levensgenot en bezit te doen deelen? Ei, ei, als dan die Christelijke deugden, het overheerschen van het geestelijke levensinzicht en de vermorzeling van eigen begeerten naar het stoffelijke, zoo oneindig veel grootscher ideaal zijn dan het najagen van maatschappelijke vervormingen, waarom dan niet rustiglijk deze gulzige roovers en woeste plunderaars op htin beurt de mate-rieele macht geschonken, al was het alleen om hen voluit te zien beseffen, hoe vernietigend ze werkt op godvrucht en heel het geestelijke levensbeginsel en zijn verinnerlijking? Ei, ei, Manus rekende tot het laatste getal, maar nii toch ergerde hij zich meer dan ooit aan de liederlijke leugen en het godlasterlijk schijnvertoon van al deze papieren bravigheid. Het stond toch zoo nadrukkelijk en onverwoestelijk in den Bijbel, dat geen enkel bezitter ooit den hemel zou naken en dat alle aardsche schatten toch moesten worden achtergelaten bij de laatste uitvaart. Christus verkeerde toch met bedelaars, verminkte zwervers, kreupelen en zondaars. De armen waren Jezus toch heilig. Voor hen, naar de behoefte hunner teedere wonderzucht, sprak hij toch van het Rijk Gods, dat niet in woorden, doch in daden op d'aarde gebracht moest worden. Jezus verbood de Christenen toch, hun eigen rijke buurtjes en vrienden ter tafel te nooden. En als gij den arme een fooi geeft, leent gij dat toch van God? Bulderden de oude propheten, altijd en overal, niet hun heesche en schrikkelijke vervloekingen tegen de rijken, de heerschers en machtigen? Riep Jezus niet sidderend van afschuw het vreese-lijke wee uit over hen die paleizen bouwden met het klamme zweet van den arbeider? Leek niet voor hem iedere steen in zulk bouwsel, overdropen van zonde en misdaad?