335
een vrome zoetenis was alles vóór d'omwentelaars op de aarde geschied, gelijk een begoochelend droomvisioen.
Mateloos spande de haat tegen de revolutionnaire leiders, ervoer Manus; mateloos tegen de proletarische propheten, die met hun innerlijk vuur het hart van de strijders doorgloeiden. Zij waren voorgesteld als zedelooze duivels, als onmenschelijke wreedaards, als gek-wraakzuchtigen, die in een helsch schrikbewind, in overmatige zenuwkracht slechts doodden en slachtten. Manus dacht aan Marat. Was hij een moordenaar? Neen. Marat had de koene grondkracht van den hevig-hartstochtelijke, de kokende ziel, verteerd door óverstijgende gedachten en in brandende daden eigen Ik roekeloos offerend.
Misdadige wraak-instincten leefden zich uit in de groote Revolutie, ook nu weer in de Russische, en zouden altijd uitwoeden in alle omwentelingen. Maar voor Peet konden zij nooit de kern bezoedelen, waarom alles ontstond. Ook hij had in smartelijke ontzetting en huivering, de wreedheid van het grauw zien losbarsten. En toch was heel deze loeiende volks-wraak en heel deze afgrijselijke verminking en plundering niets, letterlijk niets, vergeleken bij de snelle of langzame pijnigingen die het proletariaat al eeuwen en eeuwen onderging. Nimmer had Manus dit in zoo echt-doorleefde deernis gevoeld. Hij moest zich met al zijn innerlijke kracht losscheuren van de beklemmende voorstelling dat de gewelds-theorieën des duivels waren.
In zijn eigen weeke menschelijkheid had hij slechts afschuw voor moorddadige dictatuur, voor fanatieken daden die geweld met geweld keerden en de vrijheid met boeien brachten. Maar toch gaf een hooger inzicht hem rust. Tegen het schimpende braaksel der burgerlijke critiek, plaatste hij de onvermijdelijkheid van het geschieden en de onverbiddelijkheid van het groeiproces.
Beestachtig-onmenschelijk waren de verwoestings-oorlogen der burgerlijke maatschappij en geen enkele proletarische