336
revolutie leek hem ooit de kwel- en moordzucht der orde-minnende soldaten, vechters voor de imperialistische heeren, te kunnen naderen. De proletarische dictatuur gebruikte het wapengeweld als noodmiddel. Nochtans erkende Manus dat zij niet werd geprikkeld door moordlust of bloeddorstigheid. Ze haatte en verafschuwde het geweld-op-zichzelf. Het leven in zijn geheel bleef haar heilig in al zijn ontvonkingen. Toch begreep Manus waarom de re-volutionnaire beweging tegen de bestaande maatschappij niet mocht worden belemmerd. Revolutie was geen uitzinnig verwoestingsspel, op bevel van enkele heethoofden in hoop en vrees ontbrand, doch revolutie zou blijken een voorbereid-organisch proces te zijn. De diepere grondslagen van de samenleving waren al lang gruwzaam aangevreten.
Er werd ook gepredikt dat geleidelijke ontwikkeling van de maatschappij en de menschheid, zou voeren tot een ge-weldlooze oplossing van alle volksnooden en onheil; dat de grondwettelijke weg moest worden afgesjokt en dat binnen de omheining van het kapitalistische bolwerk zelf, de levensvrijheid van de proletaren kon worden bevochten met parlementaire, politieke en economische middelen. Weer glimlachte Manus om deze onnoozele leer, met glans en pronk door het leven zelf weerlegd. Want al wist Manus weinig van de praktijk, zijn ervaring had hem toch wel iets van God's schepselen en hun dof-brandenden nijd onthuld. Wat de mensch bezat, dat behield hij en als hij er kleine stukjes van losliet, dan was dit uit vrees; uit louter huivering en diepe vrees. Dan besefte hij, in vagen angst, dat van zijn bezit grootere stukken zouden worden afgescheurd, indien hij dat luttele weigerde te geven. De geheele samenleving zou net zoo doen. Ze zou wel schuch-tertjes en schuwtjes kleine stukjes loslaten, maar toch altijd met het volkomen bewustzijn achter zich: dat méér te eischen dan ze zelve schenken wilde, ongrondwettelijk, gezags-aan-tijgend en maatschappelijke-orde-omverstootend mocht wor-