333
delier-kelder zijn ingekropen, om zich tegen de moordende vervolgingen der intrigeerende Girondijnen te beschermen. Voor Manus stond het onwrikkelijk vast, dat al deze weer-galooze leiders, bij verheven ingeving de volkeren diénden; zich onderwierpen aan een geheimzinnigen drang, oneindig sterker dan hun persoonlijke eerzucht, dan hun persoonlijke leef-en-streefhartstocht, al leek het ook in werkelijkheid vaak volkomen het tegenovergestelde. Die drang in hen, oneindig machtiger dan hun wezen, die hen dikwijls hachelijk verwarde en verblindde, achteruit of vooruit joeg, bleef juist voor Manus onbesmette waarborg van het kern-groote en zuiver-menschelijke in al hun handelingen. Zij Zouden geen oogenblik, meende Peet, hebben kunnen voortleven, als zij niet diep-in wroegingloos stonden tegenover het roode geweld der bloedslurpende feiten en de nacht-sombere tragiek der wisselende gebeurtenissen.
Pal na den oorlog klonk het zoo hol en wee-huichelachtig, te jammeren over de moordtafreelen die ״opruiers" veroorzaakten en over ijselijke menschen-vernielingen, door woeste opstandigheid uitgelokt. Manus gromde weer: rekenen, rekenen, tot het laatste getal, langs de richtlijn! Goed dan, het was vreeselijk en buitensporig dat een Tsarenfamilie met gescherpte bijl bleek uitgemoord; dat een brave moeder, mooie, lieve meisjes en dartele knapen tot lillend-bloedende stukken vleesch waren uiteengehakt. Maar, vroeg Manus zich af, kon diezelfde snikkend-jammerende burgerij, die bijna stikte in haar woede en haar ziedende smart over de bolsje-wiekische monster-wreedheid, dan één oogenblik kwijt raken, nachtmerriën van moorden, slachtingen en uitspattingen, bedreven in naam van God, op en tegen allerlei soorten van andersdenkende geloovers? Konden de klagelijke schimpers ooit vergeten, hoe onder de heiligheid van het Vadertjes-regime, de krochtduistere gevangenissen stonden volgepropt in Rusland en in Siberië, met onschuldig-gemartelden, zóó onmenschelijk gefolterd, dat de kwellers er soms zelf van