344
terging en tarting tot het uiterste sleepten. Had Manus niet gelezen in den Bijbel, dat de zachtmoedige Christus ook walgelijke sjacheraars den tempel kon uitranselen en begeerde deze zachthartige god-mensch niet, aleer men hem volgde, zich af te wenden van vader, moeder, vrouw en kind? Had Manus niet gelezen, dat deze zielsreine mensch oproer verkondigde?
— Om mij zullen zoons tegen vaders en dochters tegen moeders opstaan.
Manus zag Jezus altijd in zijn dubbelgestalte: als zaligen droomer, verteederden zegenaar en geluksbrenger, maar ook als gekruisigd revolutionnair, als hachelijkst ijveraar, als stoutmoedigen en vurigen armen-vereerder, als geweldig vloeker en verfoeier, waar hij meende dat het was tot verdediging van zijn leer.
Voor Manus verscheen telkens Jezus als de koel-krenken-de verachter, de striemende geeselaar van bedriegers en maat-schappelijk-hoogmoedigen, de menschenhater van rijken en verstard-rechtzinnigen. Was zijn vader Jozeph geen zwoegende plankenschaver geweest?
Telkens wanneer Peet dit él de beschimpers der bolsje-wiekische leiders toewierp, hoorde hij in een geprikkelde woede terug-razen: dat het bij Christus om het geestelijke geluk, het zalig-worden, het zielsheilige ging, en niet om bezit, gelijk bij de egoïstisch-dierlijke sovjet-omwentelaars. En dan lachte Manus smartelijk en mijmerde hij: wat was er eigenlijk heiliger dan de menschheid zelf?
Een soortgelijke bedwelmende heftigheids-begeerte doorleefden ook in de zuiverste uren van hun bestaan, de groote menschheid-hervormers, de stoute droomers, die tegelijk werkelijkheids-vastklemmers waren en die nu al, door com-munistischer bewustzijn gestuwd, achter de maatschappelijke ontbinding van het rottend-materieele, een samenleving zagen opdoemen van begenadigder volkomenheid dan ooit de aarde had aanschouwd. Zij konden met hun hervormings-