330
alles-doorrottend individualisme, langs een anderen weg weer evengoed geteisterd werden door dezelfde soort van dierlijke hebzucht, zinnelijkheid, door dezelfde soort geestelijk bedrog en dreunende afgunst. Ook al zulke verschrikkingen had Manus op vergaderingen zien losbarsten, tusschen arbeiders door kliekgeest en blinde woede opgeruid, tusschen strijdgenooten en leiders onderling, als er plots onstuimige meeningsverschillen ópzwirrelden.
IV.
De Man der Smarten achter de oorlogsvlammen. — Mensch erger je wél!
Manus leefde diep-bewust weer met hoog-opgerichten, tóch deemoedigen geest, in het toekomstgeluk, de hoogere eenheid van het zwoegende menschdom, ook al bleek er geen andere weg dan de gewapende revolutie, het bruisend, schuimbrekend geweld, ter reiniging. Deed de kapitalistische samenleving ooit anders, wanneer haar instellingen, haar beheer en haar wetten werden aangevallen of omvergesmeten, dan deze beschermen met het rauwste machtsge-weld? In zulke gewelds-toepassing kon dus nooit één oogen-blik gedacht worden aan het krenkend-boosaardige uitleven van persoonlijke vernietigingsdrift, aan bloeddorstige moordzucht of aan willekeurige menschen-slachting van bezetenen en zieke wreedaards. Voor Peet stond het vast, dat al wat de bolsjewieken deden en doen, uit proletarische klasse-saam-hoorigheid ontstond en geboren werd uit den drang naar een ontzachlijk hervormings-ideaal, waarvan het verheven-mensche-lijke éven stralend-grootsch leefde in de voorstelling van de opperleiders, als verwekte heilsvisioenen in godsdienst-hervormers. Geweld en opstand konden uit de zachtzinnigste ziel losbreken, uit het nederigste en kruiperigste slavenhart, als