329
licht verscheen, dat God ons vertoonde. Er was slechts verandering van productie-kracht en productie-verhouding, en daardoor verandering in het denken. Manus lachte en zijn pijp wolkte, wolkte, grauw en blauw bijeen... Ach, Manus had nog meer kleinburgerlijke gedachten. Altijd weer verscheurende tegenstrijdigheden, ook over de proletariërs en hun leiders. Waarom verdroeg Manus bijvoorbeeld den schimp en den haat, de neermokering en den vernielspot en het venijn van een Marx tegen de kapitalistische samenleving, terwijl deze man juist haar onvermijdelijkheid en haar noodzakelijkheid van moéten-zijn-als-ze-was, zoo schitterend had aangetoond? Wijl ieder mensch onderwerp en voorwerp tegelijk bleek; omdat de innerlijke, trillende en ontroerde en verontwaardigde menschenstem van Marx, onmiddellijk het menschenhart van de proletaren raakte; omdat deze heilige en heiligende toorn het goede begeerde, terwijl het schelden en schimpen op een noodzakelijkheid, in zichzelf toch kern-looze dwaasheid bleef. Maar iemand als Marx, die zóó geheel vergeestelijkt leefde, en die met het formuleeren der ontwikkelings-wetten van het historisch-materialisme, een zóó almachtig-geestelijke daad had verricht, gelijk maar zelden te scheppen viel in het wereld-gebeuren, zoo iemand mócht schimpen en schelden, omdat hij zijn eigen leven tot inzet gaf en met dit leven bewees, dat niets hem nader aan het hart lag dan zijn strijd-ideaal.
Manus zag overal nog heldonkere dierlijkheid, innerlijke verscheuring, schemperij en hebzucht, zinnelijkheid, zwoel bedrog, nijd en afgunst in alle menschgroepen en onder alle rangen. En ook wist Manus met een angstige ontnuchtering, dat vaak zeer idealistische sprekers, in hun heldhaftige hoonwoorden lijnrecht staand tegenover moraal-der-burgerij, tegenover haar egoïsme en haar onmenschelijkheid, tegenover haar geraas en haar misdadige winzucht, en tegenover haar