309
dadigheid. Want zij ״verwierven" immers hun belangen en voorrechten, — kreten deze sappen-opslurpers van andermans leven in woedende ontstelling, — bij God's gratie of bij gratie van hun stand en hun kennis.
Hoe nu het vervormen van den inhoud van een zeker maatschappelijk bewustzijn plaats vond, hét bleef Manus in zijne zwalkende bekrompenheid en ongeletterdheid, ondanks vergelijkende onderzoekingstochten in de geschiedenis, een onnaspeurbaarheid, een raadsel. Hoe konden b.v. kinderen uit een aristocratischen kring of uit een schatrijke groot-industrieel-omgeving, geheel opgezogen door burgerlijke beschaving, de maatschappijleer van het proletariaat diep-geestelijk in zich opnemen, en zelfs het revolutionnaire strijdbegrip der arbeiders bóven de overgutsende belangen-zaligheid van hun eigen bezittende klasse uit, verkiezen? Welk een bovenaardsche zelfverloochening, en welk een vooruit-denkende en vér-beeldende levens-offervaardigheid! En hoe konden zulke schepselen, innerlijk en uiterlijk gemerkt door hun klasse, uit de rijen der bezitters, hun eigen heugnis verliezen en overloo-pen, oversluipen of onstuimiglijk overhollen met open banier in de vechtrangen der weggetrapte niet-bezitters? Hoe konden zij de smart-ziel, de innerlijkste haat-ziel naderen van de zweetende zwoegers, de donkere en vlamzwarte bedreigers van hun klasse-geluk, de toekomstige uitroeiers van hun klasse-genot, hun klasse-bestaan? Hoe konden deze burgerlijke heeren de op-standsstem van de verworpenen hooren? Met welke ooren, met welk hart, met welke huiverende gevoelens? Hoe konden zij van binnen de kruisigende verachters van hun karakter-loozen vader, hun onkundige moeder, hun onzedelijken broeder, de zelfkeurders van hun bedorven bloed en van hun stinkend vleesch worden?
Manus spotlachte, toen men hem op deze vraag met gloei