307
verbrijzeling en de schande van deze samenleving, die idealen met politie-verordeningen straffen en terugdringen. En toch telkens herpeinzende en vergelijkende, begeerde hij te erkennen, dat in den ontwikkelingsgang van economische krachten, in verband met al het gebeurende, deze druk, imperialistische macht en verbrijzeling, historische onontkoombaarheden moesten worden geheeten.
Manus, in zijn waarheidsverlangen, ging al verder en verder. Hij bezag de moordend-egocentrische genot- en hebzucht der bezitters, het broeisch zich vastzuigen op hun geld, als diep-gewortelde, ingeboren eigenschappen van een klasse, die uit een algemeene cultuur gesproten, zichzelve niet had laten groeien, en die in haar innerlijke en uiterlijke gedragingen door een even onwrikkelijk-knellende wet van oorzaak en gevolg werd beheerscht, als de gedragingen van de leven-herscheppende, proletarische klasse, pal tegenover haar staand en die op haar beurt nu, in een sociale revolutie, verbrijzelen ging, menschen, uitbuitersklasse en maatschappij. Zoo, algemeen-menschelijk bezien, was er voor Manus, schuimende dolzinnigheid in het schelden en schimpen op de kapitalistische klassecultuur. Van hun geboorte af, leven de kinderen der rijken in de stoffelijk-geestelijke spheer van macht en gezag, bezit, leidings-bewustzijn, en klampen zij zich vast, instinctief, aan een absoluut genotsrecht. D' ouders slurpen zoetjes lauwe kreeftensoep, op hetzelfde uur dat kroostlief zijn éérste woord stamelen gaat in de kinderkamers,... vaak een uitgehikt bevel. Als zij opgroeien, de afstammelingen, en niet meer naïeve-lijk-oprecht een broer ontdekken in den fruitman, noch een zuster in de beddenopmaakster, beginnen zij alle schakeeringen in de bevelstemmen van de heersch-ouders te onderscheiden: de plechtige, de richtende, de toornige en hooge-lijk-genadige nuancen. En zij zien de ondergeschikten in schuwe verstandhoudingen bukken voor aristocratisch gezag, fluisteren voor familie-macht en gehoorzamen aan heilige traditie