3o6
kens scheefkantelde, verzonk zijn innerlijke zwaarmoedigheid. Doch hij verafschuwde de levensblijde nachtbrakers en tijd-moorders, de oppervlakkige schepselen, die met de ledige ijlte van hun nietigheid, het leven met zotte verstrooiingen wégwerkten als een zenuw-tergende en alles-opzwelgende verveling. Manus wist dat zij vooral minachtelijke uren-af-tellers waren, voortgezwiept door nijd en jaloezie; in troebelen angst voor eigen klam bestaantje zich koesterend of in een verdoffende genotsverzadiging hun krachten verbrassend. Deze windnajagers, rusteloos en zwerverig, ondergingen een droomerig zwijmelen, waarin zij hun bederf en ondergang zelden tot innerlijke bewustheid voor zichzelf brachten. Door hun woest-leefdriftig instinct, waanden zij in misdadigen hoogmoed of eigenwijze potsierlijkheid, dat alle wisselingen of vernieuwingen anderen en niet eigen Ikje troffen. Zij woeien en warrelden en trampelden maar voort op hun sabelbeenen en tuimelden van de eene begoocheling in de aar. Zij kenden alleen koortsmomenten, als een afgebeulde lichtekooi het éven brandende zingenot, met daarachter het al wijder-uitzinkende verschiet: rottend verderf en bezoedelenden ondergang.
Uit heel deze levens-aanvoeling bleek natuurlijk Manus' bij getrommelde kleinburgerlijkheid, zijn klasse-spionnage en ontaarding. Maar dan werd hij door nog oneindig veel kren-kender burgerlijken angst en benardheid geplaagd. Want hoe-vele malen ging Peet niet dwars en zelftartend tegen eigen vonnis en doem van schoftige kapitalisten en imperialisten in? Het loutere bezit vond Manus zedeloos en laag, en de bezitters, in den volkerenstrijd misdadig-verblinde en dwaze wezens. Hij zag nu, klaarder dan ooit, het kapitalisme als een helsch uitzuigersstelsel, een daemonisch verniel-systeem, dat het levensgeluk van millioenen en millioenen schond. Niet de gewapende opstandigen, maar de zelfbeliegers, de bezitters waren de chaos-scheppende verwoesters. Manus in zichzelf, vervloekte de macht, den slavenjagers-druk, de