305
deernis en barmhartigheid gegrepen, dat hij het als een wurging voelde van bevende wanhoopshanden, die hem den adem van de lippen afknelden. Er trilde in dezen roep de stervende kermklank van een kreet om hulp na, die hem deed sidderen. Er bleef voor Manus een zoo onbegrensde geheimenis in den drang naar ontstaan en de onverbiddelijkheid van vergaan, dat hem het menschelijk oordeelen schier ltijd opnieuw een dolle tyrannie toeleek en verminkende ontwijding van ieder zuiver meegevoel.
Alles was slechts naam en vorm, had Boeddha zijn monniken geleerd. Manus verbaasde zich over de tragische diepte van dit woord. Want wat wisten de menschen, de stomsten en de geleerdsten, van de verborgenheid der dingen? In alles bleef de verborgenheid. De dingen hadden alleen naam en vorm. Slechts pronkerige menschmonden en zotte uitdragers noemden, en slechts gulzige menschoogen zagen ... naam en vorm. Doch de schepper van het geschapene zweeg en liet de dingen naamloos.
Zoo mijmerde Manus Peet, en hij schrok toen hij dieperin begreep, waarom dan ook al het bestaande eigenlijk denkbeeldig bleef en schichtig achter een mom ademde. Op het kerkhofje ״Te Vraag" zag Manus iederen dag het leven in ontbinding, van den ootmoedige en ingezonkene tot den meest luidruchtigen sporenrinkelaar en origineel. Zichzelf vroeg hij: was dat wel „leven'? Ja, want iets dat ontbinden kon, bestond nog op eenigerlei wijze. Zoo althans besliste zijn intuïtief oordeel. Het leven leek zelf een groot kerkhof. Misschien waren het alweer zijn dwaze, waarde-schattende drang naar het volstrekte en zijn spotten met spot, die hem met Zulk een innerlijke walg deden staan tegen de vergankelijke ellendigheid en onwezenlijkheid van al het zijnde. En ook misschien, omdat hij zijn getemde zinnen te veel ontberen liet en zulk een wrange schaamte in zijn zoete liefde voor Corry mengde. Misschien omdat hij de smart aldoor weer opnieuw in zichzelf te overwinnen had met een strijdbewustzijn dat tel-
Manus Peet. 20