314
zonder één gloriedroom voor eigen ijdelheids-bevrediging. Dat was nu weer een van die martelende, innerlijke verscheurd-heden die hem zijn heele leven vergalden en smartelijk-wee-moedig kwelden, en die hij toch niet met misleidend en valsch geraaskal wou overrennen of weggoochelen onder fijn-listige goedpraterij-woordjes.
Manus leefde met hoog-opgerichten geest, in de bevrijdende wereld-voorstelling en in het toekomstgeluk van de sla-venmenschheid. Hij leefde in den heroïschen dadendrang van het eeuwige volk. Hij sidderde van ontroering bij de gedachte aan den roekeloozen moed en de doods-verachting van enkele heldhaftige aanstormers, veroveraar-leiders en Zieners. Hij besefte al het grootmenschelijke van den overweldigenden, heiligen proletaren-strijd en in een soort van vrome overhuivering loofde Manus in stilte, teedere deernis met broeder-makkers, onder martelende offeringen sneuvelend voor hun zonnedroom. En toch, innerlijk, als mensch, werd Manus zich telkens zijn smartelijke gebrokenheid bewust; doolde hij rond in een zoete verwondering over het naïeve geluksverlangen van millioenen ideaal-torsers.
Peet voelde zich weer als verlamd onder het pijnigend denken aan het noodelooze, nuttelooze en vergankelijke van alle dingen in het chaotisch Heelal. Natuurlijk was dit juist zijn kleinburgerlijke ontaarding, zijn vooze, kleffe decadentie, het weeke koesteren van het liliputterig Ikje. Natuurlijk kroop dat verwarde en verwarrende zijn loom-ziekelijk individualisme uit als een slijmerige, zwakke menschelijkheid. Manus hoorde al het keffende schimpen op zijn moedeloosheid, zijn eenzame kommernissen en zwaartillendheid. Dra stond hij gemerkt als een schurftig stuk vee. Dan klommen de Jan Gou-wenaar's toch heel wat stouter den mast in! Die hadden geen last bij avondlicht en lokkende nachtdonkerte, van terugzinkingen in twijfelangsten en zelffolterende benauwenissen. Die hadden geen vrees voor duizelingen in de ra-nok. Hoor