302
maar hun levensgulzigen lach liefdekrachtig schateren boven de rustelooze kwellingen en dwalingen van het woest-golvende bestaan. Kleinburgerlijkheid, verwording, decadentie: alte-maal stekelige scheldwoorden, die met hun giftige angelspits Manus de huid inprikten. Doch wat gaf hij erom? Had een dezer zatte verfoeiers zóó vaak en zóó ellendig de weeë, échte hongerpijn d'ingewanden voelen doorknagen als hij, kleinburgerlijke proletaar zonder zedepreek en zonder wandluizen?
Morgen en over duizend jaar zouden er altijd weer menschen opstaan, die elkaar hinderden of mishaagden met hun opvattingen. De vreugdige jubelaars, gestuwd door hun onstuimig instinct en ongestadig hart, wanen aarde en hemel te kunnen overmeesteren met hun geweldigen wil en louter dierlijke leefdriftigheid. Maar Manus hoonde: ook de onver-anderlijk-zwaarmoedigen blijven morren tegen het dooreen-wriemelende aardsche onrustbestaan. Hij zag, dat zij weigerden mee te dansen op het rad-van-fortuin. Zij bleven smarte-lijk-onbevredigd, hoe ook de wereld zich ging vervolmaken. Zij hunkerden, ervoer hij, vér boven genot van zinnen en ziel uit, naar een geestelijke vereeniging met iets dat het allerhoogste kon worden genoemd. Het lijflijk zién van twee oogen naar buiten, gaf Manus vrede noch geluk. Wel het zién van twee oogen brandend-strak-trots en naar binnen gericht. Het wezen kennen, het diepste inwezen voelen van alle dingen, d«it moest zijn zalige en toch deemoedige werkzaamheid worden, en eigenlijk de leefdrang van het gansche menschdom. Want alles op aarde bleef grondeloos verlangen in droeve beperking en gebrokenheid. Onder pessimistische zuchters, onstilbare peinzers en vrome hunkeraars naar het Onzienlijke, voelde Manus zich nog het veiligst. De hartstochtelijk-hoogmoedige strevers en betoogers, voor wie alles overstraald lei van een tin-telklare illusie, zij deden Manus telkens weer schuw terug-druilen in het schaduwlommer van zijn heimelijke mijmeringen. En juist daar, in die beschaduwde stilte, zengde hem een