298
zoet-geheimzinnige saamruischen van een symphonische klankenzee, waarop alle smartstemmen en jubelgeluiden dobberden en dansten, wegschoten of zwevend dooreen-krinkelden gelijk lichten, schaduwen en glanzen over een oceanische ruimte.
Manus vond het hebben van weeldekleeren, van geld, macht, rijkdom, huizen, tuinen, auto's, paardenstallen en buitenplaatsen der rijken, een tartend-goddeloos en zedeloos onrecht. Omdat al die machts- en ontuchtige genotsmiddelen ontstonden uit onbetaalden arbeid van het proletariaat en omdat al die vreeselijke werkers, hün lichamelijk en geestelijk leven verbrasten, voor de winst van hun af-zweepers en geeselaars. Dat was riu wel een liederlijk-oud gezeur en gezwam, een zweetend-socialistisch gemeenplaatsje van een bultenaar, maar geraamte van alle levenswaarheid bleef het tóch. Zedeloos en goddeloos waren de bezitters, en redeloos en goddeloos Was de heele samenleving. Zóó laag en zóó verdorven, dat een storm uit de allerhoogste hemelen kolkend moest neerdwarrelen en een aardbeving uit den diepsten kratergrond heet en verdelgend moest losschieten, om deze wereld van louter diefstal, men-schen-onrecht, zelfzucht en bezitsvergoding weg te vagen, het Heelal uit.
III.
Manus de twijfel-pessimist tóch geestdriftig en geloo-vend. — Een Jordaner in de buurt van Boeddha. — De ideologie" van Marx en Engels. — De arbeider Manus randt arbeidersgoden aan. — De kleinburgerlijke anarchist-liberaal Manus Peet ontpopt zich.
Dat in dezen moordtijd, na den helle-oorlog, na de volkeren-slachting, de geweldige revolutionnaire woelingen en