297
de verworpenen, de droomerig-versuften, zij bleven ingezonken en uitgeteerd in hun stikpoelen en hun wreede verdoeming, verholen achter hun sombere schaamte en schroeiende melaatschheid of dól losstormend in uitzinnige kermisjool bij straatfeesten.
De zomerbloemen, de zoete grasgeur van landouwen, de tintelende blauwte van den morgenhemel, ze werden sprookjes voor gezicht en zinnen van het zwoegvolk. Mensch erger je, erger je al héviger, gilde het in Manus. Want hij zag het lui-loome, zelfzuchtige genieten van de rijken, in zomerweelde aan heetblakerende stranden, onder schelbeschilderde badstoelen in spel en licht, met glanshelle kleeren. Maar hoe kon er onder hen nog één wezen met een menschenhart rustig genieten van al het goddelijke in de overstelpende natuur? De genieters snoven óp den zilten zoutadem van de zee ... het was daar overal duizelend verlicht in de hooge luchten, boven en tegen blanke duinen. En eeuwig door, een frissche klatering van het eindelooze water. Maar Manus hoorde mét het golvengegrom, het geweeklaag der bedelaarsbenden, de droeve hijgers naar geluk en levensvreugde. En bijwijlen zag hij de avondsteden vol donker gewoel van zwavelgelige schimmen; gestalten van opstandigen en uitdoovende bedreigers van het vuur dier verblindende strand-zonsondergangen. Want de avondhemelen bloedden van hun gloed en zij begeerden óók te leven, te genieten, te zien, te droomen. Nu eerst besefte Manus vol, waarom de machthebbers zoo troos-telijk-aanbiddend de heilige zachtmoedigen als Thomas en Augustinus verheerlijkten. Zij spoorden immers tot nederigheid, tot onderwerping en tot begeerteloosheid aan. I^Het was Manus een raadsel, dat al die bezitters niet bemerkten hoe uittartend-ver dit verdelgingsspel ging en hoe óvervlug de gevloekten vervloekers en gruwers konden worden. Van alle kanten, uit alle onverborgen hoeken en kringen, klonken de stemmen óp. Ook dat was als het