2go
tierelierende pinkstervogel een nieuw deuntje van verraad gaat fluiten; den dictator van het Feest des Allerhoogsten met de lancetscherpe punt van zijn dolk bedreigt en Thuriot den almachtigen Robespierre de beschuimde lippen dichtsmoort. Toen schreeuwde de tyrannische terechtsteller, de éérste man van het Revolutionnaire Gouvernement, in een dolle smart-woede:
— President van een bende moordenaars, ik verlang het woord!
Zijn adem stokte. Hij lei half gewurgd en paars van drift en schrik.
— Het bloed van Danton golft in je gorgel en laat je stikken! ... kreet de stem van Garnier in een heilige drift.
Ondanks de hachelijke situatie en de tragische ontstelling van het oogenblik, schoot Manus toch in een lach ... President van een bende moordenaars!... En dat schreeuwde Robespierre; dat gilde de geweldsman, die dag en nacht men-schenhoofden liet afkerven en in manden bijeenrollen, alles uit zijn naam; die zijn liefste medestanders en vrienden onder de schavotbijl duwde en de stouthartige helden der Omwenteling door stom-wreed gepeupel smadelijk deed beschimpen. Dat riep Robespierre, zélf gehaat, gevreesd, besmeurd en bespat met het bloed zijner reinste medestrijders, onbewogen en verijzigd tegenover pijn en vernietiging, als de beul zelf. Hier nu zag Manus vóór zich, ten voeten uit, een oppersten leider, voorganger en wegwijzer van het Volk; een blinden, zieken, door wroeging en innerlijke ellende in zichzelf-verpesten demagoog, een gek-geprikkelden heerscher die het moordgeweld gebruikte voor eigen veiligheid en positie. Manus' weerzin werd een naamlooze melancholie. De wereld bleef welhaast altijd een rauwe beestenboel. Alles waterverf en dun spoelsel!
In kermende ontzetting sloegen de braafhartige burgers aan het babbelen over den moord op den Tsaar, over de koelbloedige neersabeling of uitroeiing van een geheel vor-