Z8g
II.
Revolutionnairen en Bolsjewieken. — De proletaren vechten voor de toekomst der menschheid. — Manus ruikt lentegeuren in den herfst. — Deernis alléén is bloed zonder kleur.
lederen dag hoorde Manus om zich heen blazen en razen tegen de communisten, revolutionnairen en bolsjewieken; iederen dag hoorde hij ze kersversch beschimpen of toomloos belasteren. Zij waren afzichtelijk en gruwelijk wreed, struikrooverachtig-dierlijk en dom, bekrompen en dol in hun plunder- en geweldsdaden. Wie keuvelden er al niet over den dictatoralen waanzin van Lenin, Trotzky, Bela Kun, Liebknecht, Rosa Luxemburg en zooveel anderen? Gezags- en machtswellustelingen waren al die ijzeren-juk-afwerpers. En toch, niet één dier burgerlijke schenners en schimpers kende, evenmin als Manus zelf, een greintje van het persoonlijke karakter der gevloekte opstandigen.
Peet besefte, dat het altijd in strijdwoede zoo gegaan was. De massa wilde overheerscht door richtingen-opdringende voorgangers, doch die moesten toch onverzettelijk haar idealen beleven en haar wil volbrengen. Manus walgde van de wisselende kansen en het luidruchtige steekspel der volksgunst. De leiders moesten leiden, maar tóch volgen. En de volgers moesten weer hun bezieling, hun kracht, hun haat en verrukking ontleenen aan de partijhoofden. Er bestond eigenlijk een blinde beïnvloeding over en weer, een hypnotisch bedrog dat vaak innerlijke verdorvenheid moest scheppen en valsche gemoeds-omkeeringen.
Toen Manus den val van den gehaten dwingeland Robespierre als het ware lijfelijk had .bijgewoond, stond hij versteld over diens zinneloozen uitroep in de Conventie, op het oogenblik dat de oppositie hem scalpeerend bespringt; Tallien als een
Manus Peet. ig