288
sidderend voor het schavot. Marat kreet zijn beschuldigingen uit en stelde ziedend, met kloppende polsen, aanklagende plakkaten, en liet de muren van Parijs daveren en dreunen van zijn woordtumult. In de volgepropte straten gistte en gierde de koortsige menigte, klonken de strijdfanfares, glinsterden de bijlen en straalde schichtig schamplicht van de pieken. Terwijl de heethoofdige Jacobijnen-aanhangers de Carmagnole trampelden en in het duister der wijken hun vrijheidsliedjes zongen, kroop Marat zelf als een ingekooid, woest gedierte in de verstikkende kelderdonkerte van zijn schuilplaatsen rond en kreunde hij van haat en afgrijzen tegen volksbedriegers, vrijheidswurgers; voor hém slechts menschendrek en darmen. En later, in de brandende hel van zijn jeukziekte, lei hij met gefolterd lichaam in zijn damperig bad en drenkte hij zijn zeere hoofd en heete handen met azijn: schroeiing tegen schroeiing. En toen stortte de vroom-roekelooze, de toch domme, opgejaagde en gehypnotiseerde Charlotte Corday zich op den beangstigenden grijnzer, den schavotbeul, en stootte hem het kil-flikkerende mes de naaktharige borst in. Toch was dit het huiverend-grootsche einde van een dweepzieken moordenaar, door een dweepzieke moordenares gedood. Beiden bezag Peet als opgezweepte fanatiekers, Marat en Charlotte, wijl hun handelingen ontsprongen aan éénzelfde men-schelijke felheid in levensgevoel en dadendrang. Want Charlotte, zichzelve offerend, vonniste en doodde, onder griezelenden afschuw, in het gemeen belang naar zij waande, ... een rauw-gigantisch gedrocht, een bloedslurper, en Marat liet, in het gemeen belang, voor volk en vrijheid, nekken van rompen afkerven van verrraders en volksverdoemers, die zelf om wraak hadden gehuild.