285
lijkertijd wordt hij zich klaar bewust wat zijn loon zal wezen. Dat hiette Manus eerst hamer en beitel in één hebberig vuistje saamknellen. Jan Gouwenaar, de teerton zou zeggen: ״ik mag een beeneter krijge as da nie net soo gis beslage is as Jan s'n seeskuimer!" Op zoo een duiventorentje kwam alles neêr-wieken. Hij is vroom ... maar loert gulzig op zijn loon! Zoo glunder koekeloeren Traktementje, Peperzak en Houtduif uit den Jordaan, ook ... naar betaalde vroomheid om.
Zulke godsdienstige geboden achtte Manus met hekelbare gevaren bedreigd en veroorzaakten innerlijke belemmeringen. Want door te streven naar nederigheid, om in één slag daarmee het verhevenste te bemachtigen, wordt de loutere, de zielszuivere zelfverloochening verminkt.
Als Thomas Manus verklaarde: wie bij God de hoogste heiligen zijn, staan het allerlaagste bij zichzelven, dan is hier toch Christus nagepreveld, een angstige besluiping van het hoogere en goddelijke doel; een beklemmende belustheid op glorie en verlangen naar hemelsche heerlijkheid, van ergerlijker en groezeliger zelfzucht dan de beschimpte en verworpene aardsche. Manus vermoedde wel dat snerpende gewetenploegers en Godverklaarders, zulk soort mijmeringen en ontledingen, zieke, schennende en spitsvinnige mallotigheid zouden noemen, maar toch hield hij — zijn gezicht gekeerd naar de Zerkjes van het kerkhofje ״Te Vraag", — vol, dat de écht-nederige zich nimmer zijn nederigheid als nederigheid bewust mag worden en dat de nederige in zelf-verloren onbewustheid, die niet vooruit al wéét dat het verhevenste zijn loon zal worden, oneindig zuiverder van godvrucht zal blijken, dan hij die vermorzeling des harten ondergaat met het bedwelmende besef, de zoelste plaats in het paradijs al daardoor te hebben besproken en de hemelsche glorie sneller al daarmee te hebben genaderd. Manus wist dat de leerarende woorden van Thomas a Kempis nog wel een andere beteekenis kon worden gegeven; een meer zinnebeeldige, en dat de monnik, peinzend over de minnaars van Jezus' kruis, eigenbaat en