271
voor Manus, als het gebeurde voor persoonlijke zaligheid, geen hooge geestelijke- en zielsvertroosting meer. In brandende verbittering klom Manus' wantrouwen tegen de leugen-achtig-zoete vergoddelijking van den mensch. Omdat ieder schepsel eerst in wisseling en tegenstelling het leven léven kon; omdat droefnis en bekoring die de aardsche dingen schiepen, eerst het besef lieten voorschemeren van een wereld, waarin met de zinnen geen bevrediging meer te verkrijgen valt. Laurentius overwon de wereld, jubelde Thomas a Kempis. Want op alles wat in de wereld genotrijk scheen, zag hij minachtend neer. Maar juist deze minachting vond Manus, ondanks den goddelijken Thomas, kil en hard als een ijzeren koevoet. Omdat zij een trotsche en uitdagende hoogmoedigheid schiep, die wel in het goddelijke behagen zocht, doch de menschelijke liefde ermee verloor. De blinde leefwoede en de onstuimige begeerte van den hartstochtelijken oerwilde, die met luid geschreeuw betooveringen weert en siddert voor heilige klissen, boomen en dieren, stonden voor Manus hooger in waarheidsdrang en in het erkennen van zijn vreesvisioenen, dan de beluste religieusheid der spreukgaarders, die in de wereldmaskerade hun mom plooiden naar de schijnheilige bezinning en keuring van uiterlijke menschenkenners, op hun beurt weer in sluwe veinzerij de grove dierlijkheid hunner instincten voor malkander verheimelijkend.
Thomas, geheel beheerscht door de Heilige Schrift, leerde ook tot Manus: ״zet uw zinnen altijd op het nederigste en het verhevenste zal u gegeven worden".
Wat lokkende vedelaar toch! Een wijsheid, steiler nog dan wjewtje's ongelukkig wenteltrapje. Kom, Manus zou durven en de kat die van voren likte en van achteren krabde, eens aan den staart schudden. Rekenen Manus, rekenen. Doorrekenen! Want welke trieste zelfzucht spartelde nu achter deze vrome woorden? Allereerst de gedachte, dat een peinzende kloosterling de nederigheid voorstaat en bepleit, met een schokkend-innerlijk vertrouwen op God. Doch tege