266
snaakschen Bocaccio had Manus gelezen, verhalen van geile verlokking en zwoel-romr.ntische min, zelfs onder zeer vroom-Katholieke menschen. Geloofde nu deze halfheilige kanunnik, dat hij ooit buiten zijn witgekalkte cel, zijn schemergouden kloostertuin, zulke onbesmoezelde schepselen zou ontmoeten, zooals hij ze droomde? Manus begreep: de begeesterde monnik en bekeerder zocht een ideaal voor den mensch, doch de innerlijke levensnoodzaak van de aardsche schepselen bleef, welhaast door zijn diepe aandachtigheid, hem volslagen verborgen. Is zoo de achtelooze mensch, vroeg Manus zich af, gelijk deze kinderlijke, edele droomer begeerde dat hij zielskuisch wezen moest? Ach, zou Thomas eens tien jaartjes doorgebracht hebben in dartele Nes of op Zeedijk! Hij zou den instinctlooze, vrij van verdriet en zinnenverwarring, rampzalig noemen. Wel keek deze diepe, heilige mijmeraar door de ruiten, maar den storm hield hij buiten. Door het worstelen en vechten tegen smart, vernedering en ellende, werd voor Peet eerst het ware aangezicht van iedere menschenziel beschenen. Hoe hebben zij lief, hoe lijden zij? Waarom hebben zij smart, hoe loutert ze die? Hoe verwerken zij het hartzeer?... Dat vroeg Manus zich telkens weer dadelijk af. Wellust bracht altijd pijn en rillenden angst, doch ondergaan in smart, een uitstorting van het geheele innerlijke wezen. Manus moest het zichzelf voorhouden: wat de mensch was met zijn hartstochten en zijn instincten,... het ontging den heerlijken vromen peinzer Thomas, al smeekte hij hachelijk: ״belijd God al de ellende uwer kermende driften". Wat was boosheid en woestheid, wreedheid en geilheid niet alles betrekkelijk, en wat was braafheid en adel, fatsoen en innigheid, deugdzaamheid en menschenliefde, naar-binnen-ontleed, niet vaak een zwak, voos en onrein spel van geestelijke ijdelheid. Manus beminde méér de herkenning van het wrange onvolmaakte, dan de leege betoovering van het zondelooze, al bleef de blauwe nevelruimte van illusiën éven noodig voor het hunkerende en oneindig-verlangende menschenhart als