267
de dichtbije klaarheid der dingen voor den alles doorspeurenden geest aanbracht. Voor Manus zou er, indien zelfs alle schepselen Thomas' leer gingen opvolgen en herboren werden naar dien geest, toch nog eeniontzaglijk-duistere macht over de menschelijke natuur blijven hangen, die het uitzonderlijke, strak-geestelijke van monnik's levensbeginselen verzwelgde of verminkte. Krach-telooze begrips-dogma's ontwrichtten niet Manus' gevoelsdrang noch schichtige doorstraling van het verborgene, waarmee hij hem honderd jaren van smart, pijn en wijsheid, in één minuut doorvoelde. Manus minde met een heiligen hartstocht de veelzijdige beschouwing aller dingen, al ervoer hij ook ieder streven naar absoluut verstaan van het omringende, als een folterende vergeefschheid, een stuiptrekking der onbevredigde levenswillen, een vermetele dreiging van den Lucifer in ieder opstandig mensch.
Er bestond voor Manus maar één weg om deel te nemen aan het innerlijke arbeidsleven van Thomas, dus aan den diepsten inhoud, de geestelijke waarheid van zijn boek en niet aan de theologiseerende uiterlijkheid ervan: kanunnik's heiligen godsdroom zélf tot daden te brengen. Ganschelijk wórden gelijk dit innerlijke leven geweest was, zonder phrazen, fratsen en omhaal. Manus wilde niet zijn als de menschen die onder lieftallig comediespel de vrome wijsheid opslurpten, door den peinzenden kloosterling uit de sombere cel ons gebracht, doch de cel zélf negeerden. Manus vond het schennis, de ״Navolging" alleen te beleven als iets verheven zinnebeeldigs, een ontroerende menschelijke dichterlijkheid. Want het schoone, het zingende of beeldende woord stierf juist in deze schuwe en verborgene ziel af. De mijmerende glans van het vrome, brak de poëtische verbeelding. Thomas zélf waarschuwde angstiglijk voor de lokkende taalmisleiding. De kloosterling bleef alleen hangen aan God. Hij begeerde slechts de zinnelijke natuur te beminnen door den geest, ademend in de genade van den Eeuwige. Bij hem klonk niet het sprookschoone evangelie, openbaarden zich niet de geweldigheid en de liefde-teeder-