2Ó2
mele struikelen van wankele alleman en smartelijke verdriet-opkroppers. Manus benijdde Thomas deze heerlijke, zoete gave van mijmeren-in-onstoorbare-vroomheid, onder het zachte schemeren van wat koperen klooster-kandelaars. Peet was afgunstig op Thomas' idealen drang naar levenszuiverste, van minuut tot minuut, in en buiten gebed zijn ziel naar de Eeuwigheid keerend. Deze man, hoe gul erkende Manus het, droeg de taal van de Heilige Schrift rein in zijn hart als een kind een argelooze liefde. Doch voor de uitgehongerde napraters op oude laarzen hinkend, voor deze valsche vertroosters en schijnheilige nakwakers van Thomas' woorden, die zich vroom, als schuwe lammetjes onder de vroeden drongen, bleef Manus schampere minachting voelen. Hij haatte fel deze melaatschen van geest, die wél kruiperig likten naar het wijze sap van Kem-pis' woord, — dat dadelijk uitdrogen zou zonder de bron, de Heilige Schrift, — doch déden gelijk menschen, wanneer zij naar een groot en droevig tooneelstuk luisteren en met betraande oogen toezien; wél zeemen, meehuilen en meejammeren met al het gebeurende op de planken, maar die toch voor niets ter wereld in werkelijkheid een duizendste deel van al de vertoonde ellende zélf willen ondergaan. Wel hunkerden zulke onklare kijkers naar alle leed-emoties, maar ze begeerden toch ook geheel en al buiten de wording, den tragischen greep dezer droeve dingen te blijven ademen. Al zulke tegenstribbelende creaturen, zuchtte Manus, begrepen niet, dat om het diepste merg van die taal heet te tasten, het noodig werd eigen bestaan op geheel eigen wijze zelf zoo af te leven. Haken naar de wijsheid en zielszoete rust van een Thomas a Kempis, alleen op het uur dat de menschen het boekske openslaan en lezen gaan, het leek Manus de meest stuitende genieting waaronder de benauwde geest en het gulzig-grof Ikje, ineenkruipend voor verdoemenis en hel, zich een levensgestalte waagden te kiezen. Doch de wijze woorden uit het ״gulden Boekske" en al wat er achter stak, ganschelijk loslaten en ze toch innerlijk omscheppen in daden, ddt heette Manus het