2Ö0
beetje afsterven van het roezemoezige Jordaan-wereldje. De suisstilte van het bemoste Jaagpad was zoo verlokkend, dat Manus hier, midden in het misdoende buurtgeraas en rauw stemmegegier, weer hunkerde naar zijn sukkelig vlierinkje en naar het verte-uitzicht achter zijn kruisraampjes, de wilgtronken van Schinkel en Kerkhof; vooral bij zonnezinken, als de hemel van vloeiend Japansch goudlak leek volgestroomd. Doch heviger verlangde hij naar zijn lectuur, naar het oude, zoete boekje van Thomas a Kempis, dat hem nog maar niet losliet, en naar revolutionnaire werken en bladen, geleend of voor een prijsje bemachtigd. Deze vreemde wisseling van onderwerpen schiep juist een wonderlijke spheer van tegenstellingen in ziel en brein. Op Manus' wangen begon een vale opwindingsgloed te branden als de blos van een teringlijder. Hij leek al stiller watertje en duldzamer-van-aard nog dan vroeger. En toch, het kookte en gistte in Peet, gelijk nimmer te voren. Zijn snerpend-ironische verbittering schoot feller uit bijwijlen, en toch weerde hij men-schenverachting als een waanzinnige hoogmoedigheid, in eigen wezen af. Heere, hoe innig trokken hem de schepselen toch, met al hun verward gehaspel, hun heimelijkheid en opsmuk-seltjes, hun wroetende hebzucht en hun deernis!
Uren lang in den al donkerder avondstond, overpeinsde Manus het ingetogen en verborgen woord van Thomas, en een dag erna wierp hij zich weer op de bezeten oproertaal van Bakounine, of verkeerde hij met het statige gevoel en de klare gedachten van Reclus, Kropotkin, of met andere socialistische, arnarchistische en communistische schrijvers, door Domela Nieuwenhuis, Gorter, Van Ravesteijn, Ankersmit, Troelstra, Polak, Loopuit of Wijnkoop vertaald. Zij rustten zoo vredig en welgeschikt bijeen, zoo knusjes, al die geschriften. Diér, op den hoek, lei het godvruchtige boek van Jacob Bril. Manus koesterde het vroom-verzade woord en de strakke geesteskracht van dit argeloos-heilige werk, waaruit de groot-oogige naïeveteit zoo koddig-gebluft rondstaren bleef. Er naast waakte Meester Eckhart, met zijn vrome ziel altijd