265
zelfbehoud berekend. Deze bijna mystische vrees voor de vernietiging van eigen welzijn had Manus Peet, onverschillig voor alles wat er gebeurde, weer aan het mijmeren gebracht; doelloos, laf, individualistisch mijmeren in de oogen van de ״bewusten"; bloedloos, onvaderlandslievend en hondsch in de oogen van de burgerij. Alleen onder zeker soort van misdadigers had Manus een stralende fonkeling in de lampjes zien schitteren. Zij snuffelden vooruit reeds de lucht van lijken en aas, van bloed en modder. Tusschen de slachtingen zouden zij hyena-achtig rondsluipen. In wulpsche woede en hijgend als balgen, genoten zij reeds vooruit van de wereldverwoestingen. Zij zouden, al wisten zij dan nog niet hoe, op eenerlei wijze levende of doode prooien bemees-teren.
Toen, op een avond dat zijn Jaagpad-hokje kil en grauw en kleintjes inkromp onder de stilte van Kerkhof en Schinkel, was Manus eens gaan luisteren naar een paar bekende communisten. Hij hoorde Wijnkoop en Van Ravesteijn over den wereldoorlog en de crisis. Zij schonken hem stof om wel tien nachten af te mijmeren. Ach neen, schutvrij was hij niet Manus, maar toch, zulk een wrange nasmaak in den mond,— hij genoot! Luisterend in spanning werd zijn knar volge-stapeld met vlijmende woorden, doornscherpe gedachten en critiek. Nou leek hij wijs tot in den vierden graad. Stilletjes nam hij zich voor, alles mee naar honk te nemen, om dezen nieuwen schok in zich te laten doorwerken. Pöferblomme in den maneschijn,... had Manus Peet gepreveld. Het brand-huisje lag zelf omver gespoten! Hier vlamde de strijd hoog op. Diep ingetrapt werd het tegenwoord, onder de proletariërs-hakken. Grauw, als over ־een wilde stormzee, zoo gierde de haat hier grauw over de menschen. Scheepstrompet en angstgeschrei klonken dooréén en van heel ver had Peet de schuimkammen zien aangloeien op den horizon.
Toch gaf al het gesprokene, het omgewroete, Manus een