253
nieuw gevoel en een nieuwe stoute kriebeling in de hersens. Vroeger zou hij bij zulk een schel dreigen met ophitsende of bulderzware woorden, ironisch geplaagd hebben: pas op, dappere ... krijt je strot niet uit het lid! Uit, uit was die twijfel. Manus voelde een slag, een stoot die hem sterretjes deed zien. Het leek een schrik-ontwaken uit een loome dommeling, uit een verward-pijnlijken en beklemmenden benauwingsdroom. Manus verloor zijn rekenings-bedaardheid. Zijn linkeroog leek dichtgezegeld. Hij had zich honderd en meer dan honderd keer geërgerd dien avond, over den mensch, over de maatschappij, op zichzelf, op de toestanden, op de bezitters en bezitloozen. En de sigaar in zijn ganzepoot was uitgegaan, zonder dat hij het had gemerkt. Nog nooit gebeurd! — Hijsch 't seil en fok in top, Manus!... Zoo hoorde hij nog de stem van den zwerver Jan Gouwenaar. Bestig Jan, ook Manus Peet zou uitbruisen, voor wind en tij!