241
dig innerlijk gebeuren, van zijn liefde voor Corry afgebracht te worden. Want hij schonk zich nu aan iets grenzenloos weg. Hij verlangde te leven voor en met de menschen en dit verlangen, even sterk als zijn liefde voor Corry, schiep een innerlijke bekeering in hem: levens-begeerte moest boven liefdes-begeerte uitstijgen. Waar zijn ziel en zijn geest nu naar hunkerden, het was veel dieper en heiliger dan wat de zinnen verlangden. En daarom nu was de strijd in hem begonnen tusschen zijn liefde voor Corry en zijn liefde voor het leven onder de menschen.
III.
Manus Peet op zoek naar sociale menschelijkheid. — Hij luistert naar, en peinst over het proletarische bewustzijn.
Peet, op zijn hokje, onder de kerkhofstilte, las alles wat hij kon krijgen, indien het maar in de Hollandsche taal geschreven was. Manus, die alle verschrikkingen van het wellustleven en alle liederlijkheden van het bestaan had gezien, naar hij waande, kreeg onder zijn lectuur vaak een zoo heerlijk-verhelderend bewustzijn, een zoo vroom innerlijk geluk, in rimpellooze rust voltrokken door zijn geest, dat hij zich telkens cynisch-verbaasd bekeek. Want alderlei dingen zag hij geheel nieuw, gelijk hij dat bij een vreemde zou hebben waargenomen. Zoo was het Manus Peet ook een hart-schokkende openbaring, toen hij ontdekte dat er misschien tóch wel wezenlijk menschen ademden, die geheel stand-vastiglijk-belangloos voor een ander iets voelden en iets wilden doen; die bijvoorbeeld zonder phrazen en klesse-neeren, het arbeiderslot als een eigen bestaan ondergingen. Het was geen wrangheid, wrevelige zuurheid of geniepig-verdekte ijdeltuiterij in hemzelf, te meenen dat hij vaak alManus Peet. !6