242
leen deze belangloosheid had beleefd. Manus Peet stelde zichzelf volstrekt niet hoog, doch hij had zoo door-en־door de wulpsche en zinnelijke driften van de menschen, en hun rauwe hebzucht, dag en nacht om zich heen zien zieden, dat hij eerst niet meer durfde gelooven aan minzame schepselen die zonder eigenbaat en eigenliefde, zonder wee-idealistische opschroe-verij, änderen goedertierend begeerden te helpen. Hij had aldoor maar gedoold en afslovend gezworven in donker Amsterdam, tusschen afschrikwekkende misdadigers, laf-wreede souteneurs, perverse verkwisters en schatrijke, uitgaande genotzoekers, wulpsche uitspatters en wraakgierige dobbelaars van de vlakte. Heel in zijn jeugd had Manus wel aan goddelijke dingen geloofd; aan de geheime macht van een onbegrensd wezen, dat de innerlijke en uiterlijke handelingen van ieder zweverig en zondig creatuurtje kon beïnvloeden. Toen had hij echter al gauw de machteloosheid van dat machtige ervaren, In het Heelal bleef alles onderworpen aan ondoorgrondelijke wetten. ״Noodzakelijkheid" was er God en die openbaarde haar goddelijk wezen juist in haar eeuwig gehoorzamen aan het lot, dat het zwak-onderscheidende menschenbrein maar weer met den naam: tragisch of voorspoedig doopte. Dat was nu Peet's religie. Het levensgeheim bestond, naar zijn angstvallige mijmeringen, in het geestelijktastend begrijpen van alle verhoudingen en verschijnselen, door de opperste macht van het goddelijke en cosmisch-on-bekende gesteld als regel en wet, waaraan het Al zélf en alle medemenschen zich morloos te onderwerpen hadden. Hij lachte om opstandigheid tegen het gebeurende. Zijn smartelijkste levenservaring was het geweest, zich wringend te verzetten tegen wat er moest zijn. Wat er dwaalde en doolde moést dwalen en dolen, vanuit het eene groote en Onbegrepene gezien. Donkerte, onbegrensde duisternis omgaf alles wat wij deden en het veroordeelende kakelen van de menschen onder elkaar, was niets dan laffe reactie van levens-benauwe-nis en wroeging over het niet-bereikte, het ontgoochelde, het