239
reld mocht heeten wat er bestond. Dat in het naderen, zoeken en innerlijk tasten van eikaars diepste naturen, — al geschiedde het dan niet met die hoofsche zoetheid van taal als in Romeo, — óók nog een bedwelmende bekoring tintelde, zuiverder allicht, dan in zijn liefde-absolutisme. Dan schiep de begrenzing, het gebondene aan eigen Zijn, het niet ganschelijk in elkaar kunnen verzinken, den roes, het angstige naderingsgeluk, het groote innerlijke raadsel telkens opnieuw. Want ook Manus besefte al lang: er bleef een persoons-eenzaamheid voor een iegelijk, door niets en niemand óp te heffen. Hij had nog pas een wreed, genadeloos boek gelezen van Barbusse, waarin déze sombere onverbiddelijkheid: ״Ieder schepsel is alleen op de wereld". Manus voelde er de diepte en toch ook de holheid van. Inderdaad, er was in het leven een huiveringwekkende persoons-een-zaamheid. Ieder mensch bleef opgesloten in zijn eigen gewaarwordingen en van zijn innigste ontroeringen kon hij alleen het buitenbeeld geven. Het leek altijd of anderen stierven en niet wij, omdat het Ik dat stierf niet wist, dat het stierf. Doch onze persoons-eenzaamheid voelde Manus als een gelijk lot, dat alle menschen raakte. Daarmee ontstond er al groote overeenstemming in die menschelijke eenzaamheid. Een iegelijk onderging pijn en smart, beleefde vreugde en genot, huivering en weemoed met zijn eigen innerlijke organen. Toch, allen bezaten wij dezelfde zintuigen, en daarom, meende Manus, konden wij weer uit ons eigen wezen ervaren, hoe andere eenzame schepselen door dezelfde cosmische natuurkrachten gewrocht, zich een bewustzijn van alle verschijnselen en gebeurtenissen veroverden. Van geboorte tot dood, van het licht naar de schaduwen, bleef ieder mensch prangend ingekneld in het ondoorgrondbaar geheim van zijn eigen bestaan. Doch alle andere wezens precies zoo. En daarom zag Manus dit mysterie ontraadseld, zonder dat er verklarend over gesproken werd. Voor Peet lag juist in de overeenkomst van onze eenzaamheid en in het zoogenaamd alleen-