238
kwellende krenking van de kiesche intimiteitsspheer waarin ieder individu vol vrees en verwachting zich wel moest bewegen in dit aardsch persoonsbestaan, veroorzaken.
Welk een fletse ijdelheid, hoonde Manus nu op zichzelf. Zou een vrouw, die uit de hunkerende diepte van haar wezen verliefd werd op een man, zou die nooit van zulk een kwastmet-kwaaltjes genoeg mogen krijgen? Wat een grove, weerzinwekkende verwaandheid! Wat een pauwpralend idee van eigen gewichtigheid. Alsof er in de gansche groote wereld niet eindeloos veel meer en belangrijker dingen waren, dan het domme, wederkeerig elkaar opslurpen van hij's en zij's. Pöferblomme in den maneschijn, wat dacht hij wel van zichzelf, hij onrust-stoker, ellendig triest-ruiend puttertje, kwakerend gedrocht, dat hij zóó maar, bij een levende liefdevrouw, een stil-hijgend verlangende, met zulke kriebelige hersenschimmen voor den dag kon stappen, dor uit zijn geligen, beenderigen kop gestampt? Hij wilde méér dan de natuur ooit kon geven, kon toestaan, zelfs tusschen geliefden met de teederste duidingskracht.
En waarom moest hij zich eigenlijk aan al die strak-afge-mijmerde dubbelzinnigheden vastklemmen, zich bezondigen aan al de weelderig-dartelende levenswijsheid over liefde, jaloezie, als hij die liefde toch zélf zengend en stuwend in zijn brandend bloed had; die kwellende goddelijkheid, die helen-hemel van afschuw en aanbidding; als hij toch zélf wringend en tegenworstelend prooi van dezen levenden liefde-hartstocht was, die hem en heel zijn onzaligheid verslond?
Manus vloekte barsch en razend in zichzelf: neen, neen, het was toch geen bleek uitdenksel, geen dolle kuur, geen mors-doode theorie, geen beschimmelde malligheid van zijn spotvernuft, al begreep hij, dat bij alle beperktheid en betrekkelijkheid van leven, de overgave van twee wezens in losstormende jeugd, die malkander iets méér nog dan ten naastenbij leerden kennen, in het scheppen van een soort zelfstandig en bestendig geluk, welhaast het mooiste op de we-