235
levenden, waarmee zij niets te maken hadden. Zulk een paar moest geheel oorspronkelijk verschijnen; tezaêm, als zij arm waren, het brood verdienen; tezaapi alles, alles verrichten en behandelen. En wou het wrangduistere leven ze scheiden in aparte werkkringen, aparte omgevingen, dan liever sterven-in-een-kus, in een zwijmende omhelzing. Want één uur gescheidenheid beteekende tweeheid, teistering en ramp, liefde-verlaging en vernieling van het saSm-geluk. Sterven in de verstikkende zaligheid van een kus leek Manus Peet geen romantisch, voos gekkigheidje; roemde hij zelfs als een heiligen dood, die de aardsch-minnende menschen, tusschen al de droef-vergankelijke en onontkoombare dingen in, konden zoeken, omdat de liefde daarin juist het vaneenrijtende, eeuwig-wisselende natuurgebeuren tartte en ook den eenzaamheidswaan van den grimmigen en neerslachtigen enkeling schond of ophief. Want Manus, de spotzieke loochenaar van teederheid, aanbad in zichzelf de lentegeurige bloemzwoelte en den maannachtelijken mysterie-glans van Shakespeare's liefde-drama's. Hij aanbad die hartsgeheimen-afluisterende zwijmeltaal van Julia en Romeo. Hij ging teloor in de grenslooze vervoering dier zoet-bezetene geliefden, die malkander in den duisteren schaduwnacht slechts met de liefdestem beroerden.
Het toestaan, te leven in gescheidenheid, in tweeheid, ervoer Manus als een wrang en folterend terugvallen op eigen rauwe instincten van bronstige ontrouw en zelfzucht. Van de vrouw die hij lief had, moest hij dadelijk en tot in de fijnste uitvezeling, al wat zij onderging, voelde en dacht, meevoelen en mee-ondergaan. En ook moest al het diepe dat hij beleefde in haar wortelen. Het zou weer de oer-zuiverheid van een Adam en Eva naderen; van schepselen die nauwelijks beseften, dat zij in lichaam gescheiden bestonden. Geen koortsachtige en duistere zinnenverlokking meer van wezens die elkaar in vleeschelijke liefde verzengen en erna slechts het stilte-suizen als een angstige schande befluisteren, ontzet van hun dierlijkheid en hun duizelenden zwijmel. De kleinste af