233
van de aarde; doch de uitstervende stem ging verloren en kon niet meer worden verstaan. Zoo beluisterde Manus, als peiselijke levenszwerver, de ontgoochelde sterfstem van het voortvluchtige in de liefde en van den weemoedsklank in alle zinnelijke genotsbevrediging.
Voor Manus Peet kreeg de liefde tusschen twee menschen, zoo hachelijk-geheimzinnig in haar oorsprong, twee stuwingen: de dierlijk-lichamelijke begeerte naar het alleene bezit van het vleeschelijke wezen, en het verlangen naar verovering van de heele ziel, het heerlijkste, diepste wezen van den geest en het intiemst-kuischlijke gevoel dat in dit lijf-lijke schepsel leeft. Alleen in dezen alles-omvattenden drang leek Manus haar goddelijk. Doch omdat zij zóó het meest absoluut was, misschien ook wel het minst bestaanbaar. Manus Peet, die geen hartstochtelijke natuur bezat, begeerde van de liefde het allerhoogste, het oneindige, het overwinnen van het zoete raadsel der blinde zinnenverwarringen. De oerstuwing der driften, als een daemonische werking van het brandende leven zélf, was nooit en nimmer in haar scheppend geweld te remmen of óp te heffen. Noch de heete pijnigingen van het vleeschelijk verlangen, dat zich in den begeerte-roes uitdoste met een heldenpraal van woorden en flonkerende wapenen. Ik-vernietiger voelde Manus zich niet. Integendeel, hij kende niets schooners en broos-menschelijkers dan het teedere zwichten van de vrouw voor den man dien zij alléén en voor altijd begeerde. Maar hij, voor zich, eischte de Zoete beradenheid in de liefde, en de volstrekte eenheid van alle gevoel en bewustzijn tusschen de minnenden. Hij zou van het wezen dat hij liefhad, niet één oogenblik verflauwing, inzinking van verrukkings- of geluksgevoel kunnen verdragen. Hij zou als een ramp, een teistering ondergaan, het zich-zien-gewennen aan de heerlijkheid van het liefdegevoel bij de uitverkorene. Juist omdat het zich niet zou behoeven te openbaren in stuiptrekkende bevredigingen, als bij de zin-nelijk-bezetenen, die hun orgies vernesteld vierden in het