232
jongeling komt in het licht vallen met ingeboren eigenschappen en hebbelijkheden, en ook zulk een lieflijke jongedame. Die eigenschappen zitten, of kronkelen, of vezelen heele-maal inwendig in hun verborgen binnenste en die groeien onnaspeurbaar mee met hun uiterlijk zijn. Dus, rekende Ma-nus, als deze twee schepselen, die eens geheel één moeten worden, malkander naderen, is er reeds een taaie reeks van onuitroeibare krachten op heel hun zinnelijk en geestelijk bestaan losgelaten, die hun zuiverste houding tegenover elkaar en tegenover hun medemenschen bepaalt. Nu weer zoetjes-aan een rukje verder!
In hun liefde-geluk en liefde-illusie begeeren zij wezenseenheid. Doch, mijmerde Manus, hoe kon deze eenheid ontstaan tusschen twee onbekende creaturen, twee donkere ondoorgrondbaarheden, die vaak in alles geboren tegenstellingen bleken? Want aanvulling was geen innerlijke door-eenmengeling, geen oplossing. En nu kwam Manus eerst met zijn dreigende volstrektheid; begon hij nog veel koeler en scherper te rekenen. Als de liefde niet bloeide op de meest innige eenheid van gewaarwordingen en ontroeringen, gevoelens, verlangens en verbeeldingen, dan bestond er voor Manus in zuiversten zin al geen liefde. Dan was er voor hem alleen een paringsdrang, die door de bange geheimenis van het hevige begeerte-moment, de wezens-verschillen voor een luttelen tijd in zelfbedwang uitwischte. Dan bleef er een innerlijk dolen en een geil zwerven der bronstige driften, van de traag-duistere onbewustheid naar de nevelige bewustheid uit.
Maar de innerlijk-scheidende wezens-verschillen beëindigen niet, bij welken zoeten wellust-in-overgave ook, van twee minnenden. Zij bleven slechts tergend en duivelsch op het uur van bevrediging en verzadiging, overal éven innagelend rondsluipen. Wel ontstond daarna een heimwee-achtige droefte, als bij het zalig-ontroerd beluisteren van een vreemd, zich verwijderend gezang in een woud, waaruit een sidderende stilte groeide, die geen vezeltje meer te beroeren waagde