228
lichaam. En toch leed hij inwendig vreeselijk onder het gevoel dat Karei Burk in zijn oerkrachtige lefzetterij en in zijn onbeperkte zinnelusten, alles voor haar bleef. Daarom moest Manus Peet nu weer de verwoestende ellende van zijn jaloer-sche liefde in zichzelf onder handen nemen. Wél wou hij staren in Corry's dool-ziel en niét in de duistere diepte zijner eigen onpeilbare zonde? Onzalige bevreesdheid. Wat was eigenlijk het schrikkelijk-verwarrende en bang-beklemmende in ja-loersche liefde? De gemartelde zelfzucht van den persoon die beminde? Ja! Jaloezie was het eigen smartelijke hart doorpriemen met angst-angels, en den wraakdronkenen geest, van hevige geslagenheid en diepe gekrenktheid uit, verschrikken met waanzin en ontreddering. Manus kende de liefde-jaloezie in zichzelf en nog veel wilder in anderen, als een hel, een vree-selijke, binnenste kneuzing en scheuring van krachten, en het gulzig-woest voeden van lagere genotzuchtige driften. Jaloezie brandde los als verachting uit hoogsten Ik-trots en alleen de Zelfbehaaglijke zinnenliefde was er de vampyrige wekster van. Zij bracht moordhaat en donkere ontgoochelingen. Voor Manus loeide haar zwarte stem óp uit het minachtelijkste van den verblinden afgunstmensch, die wegkroop voor zijn eigen vonnissend geweten. Ze gromde als een duister primitief instinct dat wilde uitrazen dwars door de vergeestelijking van de hoo-gere, onzelfzuchtige liefde-verrukking heen. Wrok, somberen, zwarten, rauwen wrok heette haar Manus; dierlijke en gruwelijke uitwerpster van afschuw en haat zonder respijt. Het leek Manus onmogelijk, dat er tusschen twee schepselen die in eikaars wezen zoet teloor gingen, ooit één moment van achterdocht, bedrogsvrees of jaloezie kón opdreigen. Zij die malkander in een hooge heiligheid van overgave bezaten, ondergingen buiten eikaars grenzen geen prikkelende gewaarwordingen afzonderlijk. En toch, er bleef verschil voor Manus, tusschen man en vrouw. De vrouw vereenzelvigde zich veel reiner en onbeperkter met het wezen dat zij ook lichamelijk minde. Manus had gemerkt, dat zij vaak alles van haar heerlijkste en heilig-vrouwe-