226
anders handelen machteloos afbrokkelde tot kreupele daadjes? Zouden de vrouwen dan toch in de geheimzinnige bevliegingen van haar omschemerd hart, zelve haar heftige ontroeringen en begeeringen niet meer kunnen overmeesteren, als het stoeische spel verkeeren ging in pijnigenden ernst? Als de extatische zaligheid en de krenkende verrukking van het zich vernederend wegwerpen, genadeloozer doch bezwijmelender werden dan alle raffinement van bewustelijk-doorleefde liefde-triumphen? In de liefde was voor Manus eigenlijk iedere minuut, een bang, buitenaardsch of tooverzoet raadsel dat evenveel zielsgeheimen splinterend oploste als ingetogen verborg.
II.
In zijn smartelijke worstelingen ontdekt Manus Peet de ״absolute" liefde. — De mismaakte stelt den volmaakte eischen en peilt de jaloezie.
Ook nu moest hij vermetel tot den brozen wortel toetasten. Wat voelde hij zelf voor Corry? Was ook dat geheimzinnig-hartstochtelijk begeeren, een zwoelduistere drang, een zinnelijke bevangenis, een opjagende en angstige genots-beklem-ming? Manus griezelde alleen reeds bij het naakte denkbeeld. Hij kon zijn eigen sproetigen kreeftenkop, zijn eigen postuur en wezen, aangegrepen en verwrongen door wulpsche driften, niet uitstaan. Ze leefden ook zelden fel of vurig in hem. Hij vond Corry's ranke lichaam heel mooi, heerlijk om te zien, en soms schoot wel een kartelende huiver van felle begeerte door zijn wezen, doch zoo kortstondig, dat hij zich zulk een schroeiend en pijnkwellend oogenblik nauwelijks bewust werd. Haar heele aanzijn minde hij. Hij omsloop altijd, éérst heel beschroomd, het groote, oorspronkelijke, het ding of schepsel met geheel eigen kern en innerlijk leven. Het betooverde en lokte hem, juist omdat het verborgen bestond en een huiver, een rilling van vreemde vreugde bracht. In Corry waren dat