225
ten kop, beschaduwd van schaamte. Diep in haar hart kon Corry alleen smaad, schimp en verachting voelen, al wou zij dan van binnen juichen, dat zij zoo een gek mormel als hem, zoo een scheef gedrocht óók had overwonnen met haar verminkende lokkracht. Doch waarom, waarom?... prevelde Ma-nus. Wat won zij met deze aanhalige kamenier-streken bij hem, in-zichzelf-gekeerde, in schuchtere mijmerstilte verzonken? Hij had weeldegeld noch moreele overheersching, noch het heete zinnengeweld van Karei Burk, noch de argelooze ziels-openheid van den zooveel jongeren Jan Gouwenaar. Hij was veel te doortrapt en te spitsvinnig in zijn snerpenden spot, om voor lokaas uitgeslingerd te kunnen worden. En al bezoedelde Manus met zijn verliefde blikken haar schuw-schuifelende voetjes, kwaad kon hij voor Corry zooveel als het zoemgeraas van een angstige vlieg in een benzinebus. Wat kon Corry in zijn halfweggevaagde personaadje dus zien? Hij vermocht alleen een beetje vinnig of snijdend te poekelen, te spotten en haar te laten schateren om al te gekke kanten van de aardsche dingen en menschen. In zijn zinnenbestaan kon hij meestal wel een geslachtlooze worden genoemd. Naast de oerbruisende hevigheid van Karei Burk's driften verschrompelde zijn hartstocht tot׳ een bleek en hulpeloos lieftalligheidje van het vleeschelijke Ik. Hij, met zijn suffig-ingekeerd mijmeren, zijn schuchter naar de-ziel-der-dingen-tasten en zijn telkens traag ontzinken aan de wereld, hij zou geen haat- of jubelschepsel als Corry kunnen boeien. En toch, toch ... het was vreemd,... hij maakte zich dat zelf niet wijs,... zij keek hem soms zoo wonderlijk lang, en zoo met den gouden blik omklemmend en zwoel naar-binnen-wringend de oogen in!
Zou het vrouwenwezen dan toch één groot, geheimzinnig raadsel zijn, met alderlei verwarrende dooreenmengingen van gevoelens en gewaarwordingen, nauwelijks voor haar eigen ziel te verklaren? Zou haar liefde dan toch een zoet, onbeperkt geweld zijn van haar binnenste en diepste natuur, een smartelijke onruststraf, waartegenover haar eigen anders willen en
Manus Peet. 15