221
lichaam, de uitwendige verschijning? Op het karakter komt alles aan, op het innerlijke ...
— Larie, apekool,... gromde Manus,... de grootste schoft, poen en schoelje, — als hij maar slank is en met een mooi snuit koert en een beetje rap, vol weerglans kletsen kan en braniën; als hij maar over smachtende verleidings-oogjes en een beschaafd kuchje beschikt; als hij maar het onberispelijk-chique, elegante heertje speelt, dat zijn eigen geweten in de kreuk laat, maar zijn broekspijpen zonder scherpe snit weigert aan te trekken, — maakt op een vrouwenhart oneindig dieper indruk dan welk braaf karakter ook, helaas verzeild in een leelijk lichaam. De verleidelijkheid van het verschijnende had Manus bij vrouwen zoo goed als mannen, alles zien blijven. Voor Peet stond het vast, dat zoo een vrouw keus moest doen tusschen een brutalen avonturier, die met zinnelijke suggestie den verleider acteerde in koud-malle óverbeleefdheid, tusschen een vermetelen azer op alleen geslachtsgenot, — een krachtpatser-type met durf, — en een karaktervol, fijnzinnig man, die tegelijk heel diep en hartstochtelijk het gééstelijke leven begeerde te leven; die niet blufte met goudgeplombeerde tanden en kiezen, met pronkerige sokken, met modieuze schoenen en fatterig-doorgeurde kleeren; die geen wereldsch be-dwelmings-reukje luchtte, doch doodgewoon verscheen in eigen eenvoudige braafheid, goedheid, innigheid en levens-zuivere belangstelling, — zij misschien, zoo hij ״molm groef", voor haar gemak en behagelijkheid den laatste, doch voor haar hart en haar brandende zinnen, den eerste zou kiezen. De geheimzinnige sexueele aantrekkelijkheid, in allerlei vormen, lokkingen en verleidingen verborgen, bleef ook voor de meeste vrouwen alles. Maar hoe kon Peet dan voor zichzelf verklaren, het raadsel Corry-Mooie Karei? Die was toch geen odeurig pronkertje, geen fat van vieze geurtjes en geen slob-kousenheld? Toch bleef Mooie Karei, door zijn geweldige ranselkracht en door zijn vermetelheid, hét gloeiende liefdebeest. Al dadelijk onthulde zich het verschil tusschen Gouwenaar en Burk.
Molm: geld.