319
Gaaneme 'n dag gekloft op stap
Mit Arie Pannetje Pap
En Jan Trammelant,
Mie-mit־de־Mand
Mag nie mankeire
Bij 't pot-verteire.
En de Hallefe Kruik
Mit Spelde Buik,
En Jan Paraplu mit
Ans Appies-mit-juu,
Ook de Leugenaar,
Dan binne me klaar ...
Waren nu knaging en treurigheid gestild, nu hij zijn liedje gezongen had, dat Bromtolletje nog veel guitiger nalispelde tusschen zijn vijlscherpe tandjes? Vroeger wel, tegenwoordig niet. Want wat kon hij voor zijn triest ongemak, zijn kreupele karkas, in de plaats stellen? Niets. En wat voelde allereerst een meid bij een kerel? Wat keurde en wat verlangde zij? Een knap postuur, een aanhalig snoet, een leuke bereddering van beweging. Tusschen man en wijf moest er allereerst zinnelijke ontroering wezen. Een meid als Corry, met haar heerlijke lichaam, haar perverse overmeestering en vermurwende aantrekkelijkheid kon toch niets dan verachting voelen voor een geel creatuur als hij! Inwendig griezelde het niesse van zulk een verwelkt ״roosje", schoon zij haar hekelende bespotting op zijn gebrek telkens met een wonderlijken, bijna kuischen tact betoomde. Doch dit moest Manus Peet zichzelf voor gezegd houden, om uit zijn huilerige overprikkeling te geraken: een mismaakte heeft alleen de ironische minnekans van het lot. Maar,... als er dan tóch eens een vrouw zich verliefde op een Bochel, wat dan? Rekenen Manus, rekenen ... Dan bestonden er verborgen en weggehuichelde belangen-motieven. Een jonge vrouw, mijmerde Manus, kon wel doodgewoon wezenloos houden van een Bochel, maar zonder vervoering, zonder snikkend verlangen naar éénwording. Manus had het