2ï7
als een valsche bedwelming, een ingebeelde verrukking van zijn zwakke zinnen, beschimpen. Maar telkens keerde Manus in wilde begeerte tot haar weer, al krijtte diep in hem, zijn hoogere wezen, onder martelende beklemmingen, naar een verlossing uit dien toomeloozen hartstocht. Afmijmeren, altijd door moest Manus, één ding na het andere. Vroeger klonk het: rekenen, rekenen Peet. Nu was het: mijmeren, mijmeren Manus ... Kon ooit een vrouw, zoo uitdagend-mooi als Corry, met zulk een wreed-koele zinnenbeheersching en zulk een heimelijk ontuchtspel van haar perverse weeldedroomen, kon die ooit liefde voelen voor een mismaakten, eenarmelijkensul? Hij, Peet, moest tot den diepsten grond doordenken en zich door geen aasje zelfmeelij laten verweekelijken. Hij moest alle lokselen van zijn eigen verlangen en illusiën, als innerlijke levensverlaging striemen; al kermende, zichzelf de waarheid toeschreeuwen. O, naar een uitgesterd avondhemeltje opstaren, het was wel minnelijk en zoet, maar ook walgelijk en verachtelijk in de nabijheid van een beerput. Een Bochel, een Kriek als hij, bleef altijd iets akeligs om te zien. Hij wist de snijdende schande ervan, uit zijn eigen leventje. Hij kende onder kinderen en jonge menschen, het beleedigend gegichel en de ingehouden spotlachjes als hij ergens verscheen. Op straat, in trams, in winkels, in café's of waar hij ook stond of ging, altijd weer had hij smaad te verduren; smaad met gebaren, hoon met oolijke knipoogjes en schimp met woorden, op zijn gebrek. De rauwe Jordaners hekelden openlijk, maar toch wreed-kwel-zuchtig, en de beschaafdelingen krenkten meer door hun fluisterende aanwijzingen en huichelachtige deelneming.
Door groote omzichtigheid gelukte het Manus eerst met kinderen vertrouwelijk te spreken. Hun schuwe of aanvallende scheidtermen leken hem een bijna spontane reactie op zijn mistroostige leelijkheid. Soms zelfs meer een hoon op het mismaakte dan op den mismaakte. Door de jaren heen was Peet aan al die omgangs-krenkingen, bewust en onbewust, wel heelemaal gewend geraakt. Doch snerpende pijn en schaamte