2o 6
uitgegraven hol weg met zeven man. Negen dagen bleef Jan zwerven met een paar vluchtelingen, in Nijmegen, om te smokkelen, en toen een van zijn kameraden doodgeschoten werd aan de grens, brachten de ontroering en vertwijfelende ontsteltenis bezinning in zijn onstuimige knar.
Weer meldde Jan zich aan in de kazerne, afgetobd van het opjagen en de ontberingen. Hartstochtelijk verlangde hij eens eindelijk goed op te passen. D'oproerige instincten waren gefnuikt. Allerlei sjappies lachten om zijn roekelooze daden, maar hij, erna, kniesde zich dood. Hij schreide en kreunde van ellende, en er brandde een onrust door hem heen en een wispelturige drift, die zich uitzinnig op alles werpen wou. Zoetjesaan voelde hij zich wat bedaren. Hij kreeg verlof, in zijn gevang, voor afleiding wat te mogen teekenen. Hij deed het heel bedeesd en heel fijntjes. Hij teekende alles wat hij zag en alles wat hij uit zijn hoofd zich herinnerde, en de.oolijke plaatjes verkocht hij voor twee mafïïes. Onder zijn knutselen begon hij weer te zingen zijn oude en nieuwe zeemansliedjes.
Al die maar lust heeft om te vare ... Zong hij luidop en zoete, berustende tevredenheid klonk er door zijn stem.
Als men dan komp in freemde lande Daar is 'n seeman hoog geacht, Soowel bij hooge as lage stande, Feul meer dan ooit 'n landman dacht...
Laat de ankers falie in 't sand, Dan hoor je juiche an de walle.
Hij kwinkeleerde weer en het gong van een leien dakje. En als het teekenen hem verveelde, dan kreeg hij genieïgheid in het tatoueeren. In Colombo had hij het zichzelf laten doen met electra. Jandomme,... dat was een nachtje geweest. Vergeten, vergeten! En weer zong hij, zoet:
Mijn Sylbia, mijn uitgelese, Mijn tweide siel ik swoer u trouw,