205
van die stijve wandvasies gratis feur je neus staan?
De man knipperde weer bar met zijn oogen.
— Kom, kom ... zoo moet je het niet nemen.
— Nie neme? ... oolijkte Jan ... Nou, ik wil 't wel late legge.
Weer knipperde de hoogedelachtbare grootmajoor zijn oogen verschrikkelijk eêr hij goedig zei:
— Nou ... ga dan maar naar de fourier en laat je een nieuw pak geven.
Hoera ...
— Bek dicht!... en een lange blauwe jas ...
— Lang leife ...
— Zwijg kerel... en ruk dan maar uit met tweemaal vierentwintig uur verlof, maar beloof me dat je als eerlijke kerel terugkeert.
Jan beloofde, maar beloofde het zichzelf weer anders. Zei hij teveel? Welneenet! Want na zijn twee dagen verlof nam hij er nog negentien bij. Fokkie over, bezaantje midscheeps, roer an lei! Niet om te trouwen, want hij had nog niet eens een niesse,... maar om de ruimte te genieten. Toch kwam hij zich na drie weken weer aanmelden. Warrelwind! Dadelijk werd hij^al-leen gezet. Een paar weken later stopten zij hem weer in het provoosthuis op de binnenplaats, met anderen. Het duister werd hem daar een verschrikking. Er broeide een vreemde koortshitte in zijn branderige oogen. Hij voelde zich verward als na een somberen jeneverroes. Toen zette hij zijn kameraden aan tot verzet. Gezamenlijk woelden zij een paar planken uit den vloer tót zij den zandgrond raakten. Onder zijn arbeid voelde hij een groote droefenis. Jan verlangde weg, wèg, doch hij temperde zijn heimwee en zijn huilerig verdriet. Met platgetrapte veldflesschen als schoppen, bewerkten de provoostelingen de aarde en begonnen zij zich in het zweet te graven, onder de fundeering door. Al grooter gaapte het gat. Spelenderwijs slingerden zij schoenen tegen het electrische licht, dat daardoor 's avonds niet meer branden kon. Zij, op een nacht, door het