207
Werom komp gij nie as feur deise, Bij mijn in mijn schape-kouw?
Met electra tatoueeren zou fijn geweest zijn, maar hier, in het gevang, onder elkaar, deden zij het met de hand, om den gruwel der verveling te ontspringen.
Nadat hij maanden en maanden in de Oranje-Nassau had zitten kniezen, werd hij eindelijk naar Den Haag getransporteerd, naar het Huis van Bewaring. Daar fungeerde hij heel statig bij de barakken en tweemaal per dag mocht hij luchten. . .. Stong zoo op zijn Poorterboekie! . . . Toch bibberde hij ellendig in zijn boevenpakje en stond hij te klakkeren op zijn klompen, alsof hij de grootste misdadiger was. Wat een jaage-waagie. Zei hij teveel? Welneenet! Het mocht een onmen-schelijke schande heeten. Er bestond geen zoet uur meer voor hem en geen enkele gedachte van stilte en rust. Om je pardoes te verkajeme! Heel zijn klokkespel hing verkeerd. Toch deed hij alles zoo-in-schijn, doodgemoedereerd in het Huis van Bewaring. Hij was oppasser, tuinman, moesboer, enveloppen-plakker, zakken-naaier, wat je maar wilde. Ook in dat muffe hol zat hij weer weken aan weken te fronsen. Een halve maand voor zijn tweejarig ontslag werd hij nog naar zijn buitenvilla in Scheveningen overgebracht, in de strenge somberte van de strafgevangenis. Om te rillen! Ook daar peesde hij dat hij blauw keek. Zei hij teveel? Toch, eindelijk, eindelijk weer mocht hij ademen in de ruimte; stond hij vrij. Toen begon zijn Zwerven weer over de heele wereld, op dit schip, op dat schip, en zoo was hij nog net bij het oorlog-uitbreken, Groot-Mokum ingezwaaid en had hij voor het eerst weer Manus Peet gesproken, na jaren en jaren vervreemding. En op Peet's hok de mooie Corry. Van toen af waren zijn onrust en zijn verliefdheid één groote verschrikking voor hem geworden. Hij had aan den wal gepeesd, hier gezworven en daar gezworven en hij voelde,... hij kón niet meer naar zee. Nou was hij wel een echte kapsones-lijjer-op-z'n-niemendal, een eerste-klas-pappert-van-'t-blauwe-stoepie en eksétera, maar wat holp het!