203
asemen. Wel nam hij zich voor, in een koele wraakzucht, het eerste het beste drinkglas dat hij in handen zou krijgen stuk te slaan en met de scherpe brokken het gezicht open te kerven van den eerste den beste die hem weer met een kniesverhoor zou martelen. Na een paar uur pas kreeg hij een droog pak en toen moest hij worden overgebracht in een aarde-donkere gang, waar nog andere vlotschuitenvoerders hokten. Heel, heel lang bleef hij zoo in die provoost-cel; vleesch en bloed hielden het er nauwelijks uit. Hij voelde zich gewoon beschimmelen. Hij lag nog liever in een diepe schutkolk te spartelen of achter een sluismuur te hengelen.Vroeg hij den bewaker wat, dan kreeg hij het stugste bakkes van de wereld.
— 't Mist hier in me tunnel, broeder!
De bewaker gromde.
— Wa hé jij 'n Haagsche wind achter je aur blasé!
De bewaker gromde.
— 't Binne hier eeufig de donkere dage feur Kerst... al leef je naar de derde regel van Sint-Fresiskus.
Maar de kerel had geen stem en geen ooren. Ach, ach, hoe verlangde Jan naar een beetje zonneschijn in de verte en naar de jovene jongens van den Jordaan. Het was afgedriedekkers waar! Kon hij maar een signaaltje uitflappen en zijn roerstangen bewegen. Inéén kreeg Jantje een idee: hij moést gemeenschappelijk zitten. Dan maar weer een gebbetje, heet van de pan. Op een morgen, toen er om acht uur kuch met koffie werd uitgedeeld, had hij het fijntjes voor mekaar, om van te smakken. Jan had twee handdoeken dooreen geknoopt, saamgewrongen en vastgemaakt aan de tralies van de cel en daaronder de wrakhouten brits aangeschoven. Toen de sergeant nu bij de deur trad, ging Jan met zijn kin in de schrikkelijke lus hangen met een verschrompeld smoelement, grauwpaars opgeblazen als onder een stuiptrekkend, stikkend wurgen. Toen de kerel nu de deur openschoof en dien angstkop zag, met de tongpunt trillend uit het paradijspoortje, schrok de kneibel zich een lichte beroerte. Jan lachte zoo luid-op in hoogtij, dat hij van de brits afrolde.
Sint-Fresiskus: Sint Franciscus,